Aankondiging

Sluiten
No announcement yet.

De stadsbouwmeester

Sluiten
X
 
  • Filter
  • Tijd
  • Tonen
Clear All
nieuwe berichten

  • De stadsbouwmeester

    Vanaf de late middeleeuwen tot aan het einde van de negentiende eeuw was 'stadsbouwmeester' de naam voor een functie die nu 'directeur van Openbare Werken' heet. De stadsbouwmeester was een architect die de verantwoordelijkheid had voor alle bouwactiviteiten die in de stad van stadswege werden ondernomen.

    De stadsbouwmeester werd benoemd door de Indivieze Raad. Hij trad op als architect voor zowel de Luiks-Maastrichtse als de Brabants-Maastrichtse projecten. Daarnaast was hij onder meer verantwoordelijk voor het onderhoud van plaveisel en vestingwerken, het schoonhouden van de straten en het functioneren van de brandweer.

    Als ambtenaar kon hij niet ongelimiteerd zijn gang gaan. Voor het opstarten en de financiering van projecten was hij gebonden aan het oordeel van de oud-burgemeesters of eerste schepenen van Luikse en Brabantse zijde, en aan de toestemming van de Luikse en Brabantse peymeesters.

    Er blijven enkele vragen, namelijk:
    1. hoe lang was een stadsbouwmeester in functie?
    2. werd er gewisseld tussen de beide nativiteiten, dus eerst een Brabantse architect en vervolgens een Luikse (of omgekeerd), of stelde men gewoon 'de beste' aan?
    3. mocht hij een eigen zaak runnen naast zijn ambtelijke functie?

    Literatuur
    Ubachs/Evers, Historische Encyclopedie Maastricht, Zutphen 2005, pp. 504-505.
    Last edited by Ingrid M.H.Evers; 15 januari 2011, 15:06. Reden: aanvulling

  • #2
    Stadsbouwmeesters

    Merkwaardig dat er altijd weer iets is dat nog nooit systematisch is aangepakt. Een lijst van stadsbouwmeesters van Maastricht is zo'n onderwerp. Onderstaand een begin van een overzicht dat meer vragen dan antwoorden geeft. Zo overlappen sommige aanstellingsjaren elkaar en zijn andere niet bekend.


    Zeventiende eeuw

    Cornelis Pesser
    Van 1657-1664 namens de stad assistent van Pieter Post bij de bouw van het stadhuis, dus waarschijnlijk op dat moment als stadsbouwmeester in functie.


    Achttiende eeuw

    Gilles Doyen / Doijen (? Luik -1736; Luiks-Maastrichts burger sinds 1696);
    herstel Maasbrug naar tekeningen van Franciscus Romanus; St.-Martinushofje; kerkgewelf.

    Matthias Soiron (1748-1834) ?

    Pierre Francois Deplaye ?

    Jean Francois Deplaye ?


    Negentiende eeuw

    Jean Francois Soiron (1755-1819);
    in de Franse Tijd benoemd tot stadsbouwmeester, december 1795-ca. mei 1815 (klik hier). 1811 ontwerp eerste aanleg Algemene Begraafplaats; in 1818 overleden als stadsbouwmeester. Verdere gegevens hier.

    Matthias /Mathieu Hermans (1789-1842);
    stadsarchitect van 1818 (1819)-1842; bouw synagoge; verbouwing rechtbank Minderbroedersberg (1840-1842).

    Nicolaes Kraft (? - 1846)
    1843-1846, opvolger van Mathieu Hermans; realiseerde ook de nieuwbouw van de Buitensociëteit Slavante.

    G.W.C. Pijtak (Utrecht 1822-1855);
    stadsbouwmeester in 1849-1855; begin van de Dienst Gemeentewerken van de gemeente Maastricht (zie ook hier).

    J. Gregoire van den Bergh (1824-1890);
    stadsingenieur in (1857) 1860-1861; voltooide in die functie de gemeentelijke gasfabriek en ontwierp een riolering; ontwierp 1857 een uitbreidingsplan voor de Algemene Begraafplaats (Boogard/Minis, 59).

    J.H. Nivel (Meerssen 1845-Utrecht 1895);
    stadsingenieur van 1873-1876, tevens directeur Gasfabriek; zie ook hier.

    Willem Jean Brender á Brandis (Pernambuco 1845-Den Haag 1929);
    stadsbouwmeester van 1876-1891 (Boogard/Minis, 214); eerste wetenschappelijk geschoolde directeur van Openbare Werken. Zie ook hier.


    Twintigste eeuw

    J. Schoth;
    'directeur van Gemeentewerken'; ontwierp een eerste uitbreidingsplan voor de stad dat in 1905 wordt goedgekeurd door de raad (Monumentengids Maastricht, p. 26).

    Willem Jozef Hubert Bauduin (1856-1928 );
    directeur Openbare Werken van 1889-1922 (zie ook hier)

    Fr.Th.H. Dreesens
    directeur Openbare Werken van 1925-1955 (zie ook hier)

    J.Th.J. (Jos) Cuypers (Roermond 1861-Meerssen 1949)

    Frans Dingemans (1905-1961), ingenieur;
    stadsarchitect vanaf 1952; uitbreidingsplannen voor de gemeente Maastricht (en Amby); uitbreiding Algemene Begraafplaats; zie ook hier.

    J.J. van de Venne (1914-1977), planoloog;
    hoofddirecteur Openbare Werken (1955-1977); o.a Structuurplan 1962; ontwikkelde de wijkgedachte.

    Rene Daniels;
    stadsarchitect 1973 ? -1980 (-1988?); zie ook hier en hier.


    Bronnen:
    Ubachs/Evers, Historische Encyclopedie Maastricht, p. 504 en passim.
    Van den Boogard/Minis, Monumentengids Maastricht, register en passim.
    Internet
    Last edited by Pier; 1 april 2020, 13:00.

    Opmerking


    • #3
      Oorspronkelijk geplaatst door Ingrid M.H. Evers Bekijk bericht
      Er blijven enkele vragen, namelijk:
      1. hoe lang was een stadsbouwmeester in functie?
      2. werd er gewisseld tussen de beide nativiteiten, dus eerst een Brabantse architect en vervolgens een Luikse (of omgekeerd), of stelde men gewoon 'de beste' aan?
      3. mocht hij een eigen zaak runnen naast zijn ambtelijke functie?

      Literatuur
      Ubachs/Evers, Historische Encyclopedie Maastricht, Zutphen 2005, pp. 504-505.
      Onderstaande citaat is uit " Tekenen ter Verlichting" Architectuurtekeningen in de achttiende-eeuwse Republiek van Eva Röell. (pag.22)

      http://igitur-archive.library.uu.nl/...0241/roell.pdf

      " De achtergronden van de stadsbouwmeesters waren uiteenlopend. Het konden lokale ambachtslieden zijn met een praktische scholing in één van de bouwambachten, landmeters, waterbouwkundigen of ingenieurs. Een goede kennis van de lokale en regionale situatie, bijvoorbeeld ten aanzien van bodemgesteldheid, materialen en technieken, maatstelsels en regelgeving was noodzakelijk maar kon ook na de aanstelling worden verworven. In veel gevallen werd ook landmeetkundige kennis vereist en was de stadsbouwmeester tegelijkertijd stadslandmeter. Belangrijke vaardigheden voor stadsbouwmeesters waren in ieder geval het kunnen leiden van een organisatie, kennis van de technische- en uitvoeringspraktijk, schrijfvaardigheid, communicatie met het stadsbestuur en voeren van financieel beheer. Tekenvaardigheid werd in sollicatieprocedures door de steden gevraagd en door de sollicitanten zelf als een belangrijke kwaliteit aangedragen."

      Opmerking


      • #4
        Functie-eisen en takenpakket

        Dat de achtergrond van stadsbouwmeesters heel gevarieerd kon zijn, wordt ook duidelijk uit het eisenpakket dat in 1818/1819 werd gesteld bij de werving van een opvolger voor Jean Francois Soiron.



        Lange tijd bleven tal van oneigenlijke taken behoren tot de verantwoordelijkheid van de stadsbouwmeesters. In de tweede helft van de negentiende eeuw waren zij niet alleen bouwmeester, maar tevens directeur van de gemeentelijke gasfabriek. En het plaveien en schoonhouden van de straten had eveneens weinig te maken met bouwkunde.

        Naarmate zich meer maatschappelijke nieuwigheden voordeden (trein, tram, omnibus, electriciteit, telegraaf, telefoon etc.) werd duidelijk dat er een nieuwe ambtelijke constructie moest komen. Dat heeft na verloop van tijd geleid tot het ontstaan van de Nutsbedrijven.

        Over het functioneren van de - nu opgeheven - Maastrichtse Nutsbedrijven is in 2000 een interessant en kostbaar geïllustreerd boek verschenen, geschreven door M.J.M. (Marcel) Put, Energiek Maastricht, anderhalve eeuw Nutsvoorzieningen 1850-2000, (Vierkant Maastricht, 34) Maastricht 2000, 276 blz.
        Last edited by Ingrid M.H.Evers; 16 januari 2011, 11:14.

        Opmerking


        • #5
          Stadsbouwmeesters, stadsmetselaars en stadstimmerlieden

          Aan het rijtje vragen van Ingrid zou ik er nog eentje willen toevoegen (en tegelijk al met een deel van het antwoord komen), namelijk: was er in Maastricht verschil tussen stadsbouwmeesters, stadsmetselaars en stadstimmerlieden? Bij Martin (zie referentie hieronder) worden de termen 'stadsbouwmeester' en 'stadsmetselaar' in een zin gebruikt. Het gaat dan over verschillende personen, maar wel in een andere periode (Martin, p.55).

          Verderop worden de taken van de stadsbouwmeester nader omschreven (Martin baseert zich daarbij op de zeventiende en achttiende eeuwse raadsverdragen van de Indivieze Raad):
          "Zijn taak omvatte onderhoud, toezicht, herstel, en eventuele nieuwbouw van de stads- en gemeentewerken (met name de militaire), maar ook het reinigen van de straten met behulp van karren die het vuil eens in de week kwamen ophalen. (...)

          Dagelijks toog de stadsbouwmeester de stad in om de stadswerken te inspecteren, lijsten van onbebouwde plaatsen en nieuwe bouwprojecten op te stellen, en het plaveisel te controleren. (...)

          In zijn uitvoerende werk werd de stadsbouwmeester terzijde gestaan door de stadsmetselaars en timmerlieden. Deze stonden op hun beurt aan het hoofd van de gelijknamige werkplaats en namen de kleinere opdrachten voor hun rekening. Werkzaamheden die een bepaald bedrag overschreden werden vanaf het midden van de achttiende eeuw aan de minstbiedende aanbesteed. Dit systeem was aan de vooravond van de Franse Revolutie nauwelijks gewijzigd."


          Bron: Martin, M., Opkomst van de moderne stad. Ruimtelijke veranderingen in Maastricht 1660-1905. Zwolle, 2000, p.61
          Op dezelfde pagina wordt het onderscheid tussen stadsbouwmeesters, stadsmetselaars en stadstimmerlieden weer gerelativeerd: "Hoewel de termen metselaar en bouwmeester tijdens het Ancien Régime voortdurend door elkaar werden gebruikt, was het ambt van bouwmeester vanaf het einde van de zestiende eeuw een geregistreerd beroep" (Martin, p.61).
          Last edited by Pier; 1 april 2020, 13:01.

          Opmerking


          • #6
            Het is mij ook niet helemaal duidelijk. Ingrid M.H. Evers zegt dat de functie van Stadsbouwmeester vergelijkbaar is met die van de huidige directeur openbare werken.

            In het "reglement voor het bestuur der stad Maastricht " uit 1827 en ook 1841 staan o.m de volgende ambtenaren genoemd:

            " Hoofd-directeuren en hoofd opzigters van stedelijke werken en gebouwen.

            -Stedelijke bouwmeesters, kameraars of fabrijken. "

            C. Bloemen, in drie eeuwen maastrichts theater, gebruikt op pag. 68 de term "Opperfabrijcken". Een van die opperfabrijcken is Vignon die ook burgemeester van maastricht is geweest.

            Is de benaming opperfabrijck zo'n twintig jaar later vervangen door Hoofd-directeur van stedelijke werken en gebouwen ?

            Is Stads-bouwmeester hetzelfde als Stedelijk -bouwmeester ?

            In bovengenoemd reglement wordt gesproken over Stedelijke bouwmeesters,
            kameraars of fabrijken. Meervoud.

            Waren meer mensen gelijktijdig in die functie in dienst van de stad Maastricht?

            Ik wil proberen de lijst van Ingrid M.H. Evers aan te vullen. Vandaar deze vragen.

            Opmerking


            • #7
              stadsbouwmeester, stadsfabrijck, directeur Openbare Werken etc.

              Oorspronkelijk geplaatst door rikth Bekijk bericht
              Ingrid M.H. Evers zegt dat de functie van Stadsbouwmeester vergelijkbaar is met die van de huidige directeur openbare werken.
              Ik 'zeg' dat niet, ik schrijf dat en ik baseerde me daarbij op de gegevens zoals die mij bekend zijn uit de door mij genoemde bron.

              Ik opende deze discussie over de stadsbouwmeester omdat het onderwerp bij de Soirons aan de orde kwam. Jean François zou stadsbouwmeester zijn geweest en dat blijkt inmiddels juist. Ook Matthias zou die functie gehad hebben, maar ik heb daarvan nog geen enkel hard bewijs gezien. Als hij voor de stad werkte, wil dat immers nog niet zeggen dat hij benoemd was in die specifieke functie. Hij kan ook als aannemer of opzichter gefungeerd hebben.

              Uit de HEM blijkt hoe weinig er bekend is over dit soort functies. Het toch al summiere trefwoord 'stadsbouwmeester' heeft geen literatuurverwijzing, een van de weinige. Wel zijn er doorverwijzingen naar 'stadsfabriek', 'stadskarren' en 'brandweer'. Het lemma stadsfabriek is tamelijk uitgebreid, mede omdat er in de stedelijke Coutumes een functieomschrijving staat. Het probleem is echter dat we gewoon te weinig weten. Er is geen onderzoek naar gedaan. Wat de HEM biedt is datgene wat ten tijde van het schrijven van dat boek (1993-2004) in de bestaande literatuur te vinden was.

              Met belangstelling heb ik even gekeken bij rikths verwijzing naar Bloemen (pag. 68 ), waar in de jaren 1776-1778 over de manege 'een rapport werd gevraagd van de heren J.J. de Mee en W.D. Vignon, "opperfabrijcken" van de stad - wier functie vergelijkbaar is met die van de direkteuren van openbare werken - ...' (cursivering door IMHE). De verwijzing naar de moderne variant is er dus niet een die uit de lucht komt vallen. Dat blijkt ook uit de boven genoemde lemma's uit de HEM, waar ik al in mijn eerste posting naar verwees.

              De Mee en Vignon bekleedden hun functie tezamen, de een voor de Brabantse en de ander voor de Luiks-Maastrichtse kant. Die dubbele stedelijke functies vervallen in de Franse Tijd. Maar is/was de term 'stadsfabriek' synoniem aan stadsbouwmeester? De HEM lijkt het - terecht of onterecht - te suggeren, maar geeft er geen uitsluitsel over.

              De stad heeft in haar lange geschiedenis altijd ambtenaren in dienst gehad, van hoog tot laag. Dat interne bestuur is nog nooit onderwerp van systematisch onderzoek geweest. Vragen als: welke functies waren er, wat waren de functieëisen, wie was verantwoordelijk voor wat, wat was de duur van het dienstverband, de remuneratie, eventuele emolumenten - zijn goeddeels op te lossen, maar daarvoor moet men naar het archief.

              De inhoud van de functie van de stadsbouwmeester en van die van de directeur van Openbare Werken is in elk geval aan veranderingen onderhevig geweest. Voor de negentiende eeuw en later is veel informatie tamelijk gemakkelijk te vinden. De door rikth aangehaalde en verdere reglementen bieden al enig houvast, maar een systematisch doornemen van de gemeenteraadsverslagen en de jaarverslagen van de verschillende diensten (vaak in hun geheel toegevoegd aan het jaarverslag van de gemeente) zal ook veel opleveren. En verder natuurlijk de archieven van de Secretarie en van Openbare Werken en eventuele voorgangers en opvolgers.

              Het ancien regime kende zijn eigen organisatie. De in bovenstaand citaat genoemde J.J. de Mee en W.D. Vignon zullen beiden oud-burgemeester zijn geweest, want dat was een van de functieeisen van hun ambt als 'stadsfabrijck' (zie HEM, lemma stadsfabriek). In de raadsverdragen, edenboeken en de Recessen zullen zeker tal van antwoorden te vinden zijn, maar ook dat betekent vele maanden archiefonderzoek.

              Als we in de tussentijd via de literatuur (internet incluis) toch tot een beter beeld kunnen komen, dan is een doel van deze discussie al bereikt. Zoals we in de wetenschap vaak constateren: geen resultaat is ook een resultaat. Het is al heel wat als we weten wat we NIET weten.
              Last edited by Pier; 1 april 2020, 13:02.

              Opmerking


              • #8
                Oorspronkelijk geplaatst door Ingrid M.H. Evers Bekijk bericht
                Maar is/was de term 'stadsfabriek' synoniem aan stadsbouwmeester? De HEM lijkt het - terecht of onterecht - te suggeren, maar geeft er geen uitsluitsel over.
                Een Google-zoekactie met de term 'stadsfabriek' lijkt die suggestie wel te bevestigen. De stadstimmerman van Middelburg, Jan Bosdijk (zie hier), werd in 1786 aangesteld als opperfabrycq of stadsfabrycq. Jan Bosdijk woonde met zijn gezin in de ambtswoning, de Stadsschuur, aan de Nieuwe Haven in Middelburg. Zou de Maastrichtse stadsbouwmeester ook een ambtswoning hebben gehad? Ik weet alleen dat Jean François Soiron in de Platielstraat woonde.

                Opmerking


                • #9
                  Frans van Gulpen, meester-metselaar

                  Oorspronkelijk geplaatst door Ingrid M.H. Evers Bekijk bericht
                  Onderstaand een begin van een overzicht dat meer vragen dan antwoorden geeft. Zo overlappen sommige aanstellingsjaren elkaar en zijn andere niet bekend.

                  Zeventiende eeuw

                  Cornelis Pesser
                  Van 1657-1664 namens de stad assistent van Pieter Post bij de bouw van het stadhuis, dus waarschijnlijk op dat moment als stadsbouwmeester in functie.
                  Wellicht kan daar een naam aan worden toegevoegd: Frans van Gulpen. Tot nu toe vond ik slechts een bouwwerk dat op zijn naam staat: de toren van de Sint-Mauritiuskerk in Bilzen uit 1667 (foto). Volgens deze website was hij meester-metselaar te Maastricht; volgens deze was hij architect. Alles bij mekaar te weinig om hem als opvolger van Pesser te bestempelen, ook al waren de termen 'stadsbouwmeester' of 'stadsfabrijck' toen waarschijnlijk nog niet in zwang. Wellicht is er meer over hem te vinden?
                  Last edited by Pier; 1 april 2020, 12:57.

                  Opmerking

                  Bezig...
                  X