Aankondiging

Sluiten
No announcement yet.

Willem Strengnart

Sluiten
X
 
  • Filter
  • Tijd
  • Tonen
Clear All
nieuwe berichten

  • Willem Strengnart

    Willem Strengnart: van aannemer tot zoutzieder in Maastricht. Piet H.L. Bovy. Stand: 09.11.2017

    De naam Strengnart is in Maastricht vooral bekend geraakt als vestingbouwer. Met name de publikaties van Morreau over de wordingsgeschiedenis van de Maastrichtse vestingwerken hebben hiertoe bijgedragen.

    Volgens Morreau, en wie zal aan diens analyse durven twijfelen, behoorde Willem Strengnart tot de drie grootste onder de vele aannemers, die in de postfranse tijd (1815-1820) aan het herstel en verbetering van de Maastrichtse vestingwerken hebben gewerkt, “aannemers van ’s lands aarde-werken”. Het ging in die periode meerendeels om het herstel en wederopbouw van de algemeen sterk verwaarloosde toestand der vestingwerken als gevolg van verloedering en nalatigheden in de twintig jaren van de Franse bezetting. Slechts weinig aandacht kreeg vernieuwing en versterking van de vesting zoals bv. het geval was met het Fort St. Pieter. Niet alleen de aannemers verdienden er goed aan. In het ‘Journal de Maestricht’ van 13 april 1815 laten “de H.H. Strengnart en Nijpels , aannemers van ’s lands werken van de vesting Maastricht (...), weeten aan een ieder, dat diegeene die willen geamployeert zijn aan aarde- of zoodewerk, zig kunnen begeeven in het klooster van St. Andries op de Koeymarkt te Maastricht, alwaar hun zal eenen ploeg aangeweezen worden. De dagloon van een arbeider is van 22 stuivers Luiks geld en van een zodezetter van 28 stuivers. Daar word veel werk uitbesteet, dus kunnen de goede werklieden nog op een hogere dagloon rekenen.”
    Morreau becijferde dat Strengnart in de drie jaren van 1815 tot 1818 waarin hij werken aan de vesting uitvoerde daarmee in totaal Fl. 175.000 aan omzet maakte. Dit is zeker een schromelijke onderschatting en is in strijd met de gemaakte constatering, dat Strengnart tot de drie grootste aannemers behoorde. Het bedrag betreft uitsluitend de aanneemsommen van de gedocumenteerde officiele aanbestedingen die Strengnart als hoofdaannemer uitvoerde. De (vele?) niet-gedocumenteerde werken zitten daar niet in, net zo min als de werken die Strengnart als onderaannemer aan de vesting uitvoerde. Afgaande op de vele miljoenen guldens die in die periode voor herstel en verbetering van de vestingwerken zijn aanbesteed moet Strengnart een veel groter aandeel daarin hebben gehad als het genoemde bedrag ad Fl. 175.000, wat ook aannemelijk wordt uit zijn bestedingenpatroon na 1820 (zie verderop).

    Willem Strengnart werd in de bouwbestekken als landbouwer betiteld. Enigszins bevreemdend voor een aannemer van “aarde-werken”. Wellicht was daar landeigenaar mee bedoeld, maar nog waarschijnlijker lijkt een letterlijke uitleg en was landbouwer een toen gebruikelijke term voor een aannemer die gespecialiseerd was in grondverzet, want dat waren ook verreweg de meest opdrachten die hij uitvoerde. Ook de aanleg van grachten voor de Nieuwe Bossche Fronten hoorde daarbij (zie onderstaande advertentie)


    Advertentie in Journal de la Province de Limbourg van 24-11-1816





    De opbouw van zijn aannemingsbedrijf moet voor Willem Strengnart niet al te moeilijk zijn geweest. Hij was spruit van een vermogende familie, die in de Franse tijd, zowel van vaders als van moeders kant (Hennekens) tot de elite van hoogstaangeslagenen was gaan behoren. Vader Jacob Strengnart (1751-1813) prijkt op de lijst van hoogstaangeslagenen uit 1811/1812 (zie N.Bos) als nieuwe elite. Hij was kennelijk pas tijdens de Franse tijd als landbouwer (grondeigenaar) en steenfabrikant tot rijkdom gekomen en had vermoedelijk in die tijd zijn aannemingsbedrijf gesticht. Vóór de komst van de Fransen was hij als architect actief. Bij de overgang naar de Franse bezetting van Maastricht gold de vrijmetselaar Jacob Strengnart, behorend tot het Luikse burgerdeel, als aanhanger en steunverlener van het nieuwe bewind en deed er zijn voordeel mee. In zijn boek rekent Spiertz de achitect Jacob Strengnart tot de “ontwikkelde Luikse burgers van de stad, die in vroeger jaren nooit de gelegenheid hadden gekregen lid van de magistratuur te worden, doordat zij, hetzij door hun afkomst, hetzij door gebrek aan relaties of door het beperkt aantal Luikse functies in Maastricht, niet in aanmerking kwamen om tot het patriciaat te behoren.
    Het ouderlijke huis van de familie Strengnart-Hennekens, bestaande uit een viertal belendende panden en ook opstallen en schuren langs het latere bassin, stond aan de Boschstraat, hoek St. Antoniusstaat (huisnummer 1826). De weduwe Strengnart-Hennekens woonde er tot haar overlijden in 1837. Dankzij de Franse volkstelling weten we dat de Strengnart-familie in de Franse tijd in Maastricht daarnaast nog diverse andere panden, onder andere in de Bogaardenstr, Grote Gracht, Kommel en Van Hasseltkade in eigendom had.


    Genealogie Strengnart (uitsnede)






    De naam Strengnart komt al langer in Maastricht voor. Al in de 17e eeuw treft men deze in diverse familiekronieken aan, zoals in die van de bierbrouwersfamilie Marres. Overigens vertonen de schriftelijke bronnen zoals geboorte- resp. doopaktes, notarisaktes, ed een veelheid aan verwarrende schrijfwijzen van deze familienaam. De verzamelindex van het genealogisch programma Pro-Gen geeft alleen al ca 20 verschillende versies van deze naam aan. Onze hoofdpersoon Willem Strengnart wordt in officiële documenten ook wel met Guillaume, Willem Jan, Willem Jacob, Jan Willem en Strengnart ainé, ter onderscheiding met zijn broer Hendrik, aangeduid.

    Omstreeks 1800 verkreeg de nog jonge Willem Strengnart, vermoedelijk met steun van zijn vader Jacob, het eigendom van het door de Franse bezetters geconfisceerde voormalige en sterk gehavende kloostercomplex en kerk van de Antonieten aan het eind van de St. Antoniusstraat, tussen Biesenstraat en de Maas gelegen. Tijdens het Franse beleg van 1794 werden door hevig kanonvuur zowel kerk, klooster en verdere gebouwen van de Duitse Orde als ook de Antonietenkerk met ernaast gelegen aanhorigheden zwaar beschadigd. Beide gebouwcomplexen werden nadien niet meer hersteld. Willem Strengnart kocht de overblijfselen van de Antonietenkerk van de Franse bezetters, richtte aldaar zijn latere woning in en bouwde er zijn aannemingsbedrijf op. Na met de aannemerij te zijn gestopt verhuurde hij per advertentie in het Journal de la Province de Limbourg van 02-04-1828 “un grand emplacement près du Canal [de net geopende Zuidwillemsvaart], avec grange, greniers, magasins, caves, écurie pour 30 chevaux...”. Na Willems overlijden in 1830 bleef de Antonietenkerk in eigendom van zijn familie als ongedeeld erfgoed van zijn vrouw Sophia den Appel en zijn enige zoon Jan Jacob. Bij de opstelling van de nalatenschap van wijlen Willem Strengnart bij notaris Pierssens te Sittard in 1831 kon geen eigendomsbewijs van het Antonietencomplex worden overlegd. Bij de erfdeling in 1841 werd de eertijds kolossale kerk op Fl. 4500 gewaardeerd en aan de weduwe Strengnart in volle eigendom toegewezen. Was dat destijds uitsluitend de waarde als steengroeve of vonden er nog winstgevende activiteiten in plaats? Het desolate kerkgebouw moest tenslotte omstreeks 1850 wijken voor de aanleg van het Kanaal Luik-Maastricht.





    Kadastraal plan Bassin en omgeving. Rechtsonder het Antonietencomplex. Tekening van P.J. Sotiau 1824 Bron: RHCL






    Willem Strengnart heeft in de tijd dat hij intensief uitvoerder was bij de vestingwerken diverse maatschappelijke functies vervult. Hij was van 1 Januari 1816 tot 1 januari 1820 raadslid van de gemeente Maastricht, oftewel Conseiller de la Régence, hoe het toen officieel heette. Hij was onder andere belast met de portefeuille Schutterij (Garde Communale). Ook was hij in die tijd, zoals te vinden is in de Almanach de le Province de Limbourg pour l’année bissextile 1820, lid van het uit 48 Notabelen bestaande Collège des Electeurs de la Ville de Maestricht. Ook zijn broer Hendrik was er lid van. Verder was hij lid en commissaris van de Societé de Musique die liefdadigheidsconcerten organiseerde. Deze bestuursfuncties zijn een indicatie te meer dat Willem Strengnart zich niet onbetamelijk aan zogenaamd zwart goed, zoals het genationaliseerde kerkengoed in de volksmond heette, verrijkt had. Ondanks zijn aktieve ondernemerschap heeft Strengnart het noch in zijn tijd als aannemer (tot 1823), noch in zijn tijd als zoutzieder (tot 1830) tot lid van de Kamer van Koophandel gebracht. Hij had het pech dat er al vroeg een andere bouwmeester (Sanders) en een andere zoutzieder (Jan Gabriel Cazaux) deze takken van nijverheid in de Kamer vertegenwoordigden.

    De bouw van de vestingwerken in Maastricht heeft de aannemer Willem Strengnart zeker geen windeieren gelegd. De rijkdom van de familie Strengnart is echter ook in verband gebracht met handig aan- en verkoopbeleid van geseculariseerde kerkgoederen en met succesvolle effectenbeleggingen. De verkregen rijkdom stelde Willem Strengnart in staat in de eerste decennia van de 19e eeuw grootscheeps landerijen en landgoederen in Limburg aan te kopen zoals onder andere in 1820 het domeingoed de uithof Abshoven voor Fl. 58.000, in 1826 het buitengoed de Koekamp voor Fl. 4500, beide te Munstergeleen gelegen, en in 1825 het landgoed Watersley te Sittard voor Fl. 14.425 (Muusse, Abshoven). In Maastricht kocht hij in 1824 het woonhuis van zijn schoonvader Maximiliaan den Appel in de Witmakerstraat voor Hfl. 3000 en in 1825 de gehele zoutziederij van Den Appel-Cazaux aan de Brusselsestraat voor Fl. 17.050.

    Het prachtige landgoed Abshoven was de hoofdwoning van de familie en dat bleef zo tot 1877. De familie Strengnart-den Appel had daarnaast ook nog een woning in Maastricht in het vroegere Antonietencomplex aan de St. Antoniusstraat. Daar werden ook alle drie kinderen geboren waarvan slechts Jan Jacob volwassen mocht worden. De ongehuwde zuster Marie-Therèse van Willem Strengnart woonde Langs de Maas Nr. 617, waar later ook Willems enige zoon en Statenlid Jan Jacob zijn Maastrichte pied-à-terre had, naast zijn hoofdwoning op Abshoven.

    Willem Strengnart is door zijn huwelijk met Sophia Carolina Den Appel (1793-1867) betrokken geraakt bij de Maastrichtse zoutziederij van Cazaux aan de Brusselsestraat en we beperken ons in het vervolg tot de bemoeienissen van Strengnart met deze zoutziederij. Een klein stukje voorgeschiedenis is echter nodig als aanloop hier naar toe.

    Zoals in de bijgevoegde stamboom te zien valt was deze Sophia een dochter uit het eerste huwelijk van Maximiliaan den Appel, een gewezen gereformeerde predikant uit Holland, koopman en mede-eigenaar van de zoutziederij Cazaux. Na overlijden van haar moeder Henriette Cuncell (1755-1795) groeide Sophia op bij haar stiefmoeder Martha Cazaux (1773-1822), de tweede echtgenote van Den Appel, die hem in 1797 huwde. Dat jaar is het begin van de bemoeienis van de koopman Den Appel met de zoutziederij in Maastricht, die dit bedrijf tot grote bloei wist te brengen. In 1806 verzekert hij zich, samen met zijn zwager en medefirmant Jan Willem Cazaux, van alle tot de ouderlijke zoutziederij Cazaux behorende roerende en onroerende goederen en ze kopen in dat jaar ook belendende percelen op de Brusselsestraat van Juffer van Eyll erbij.

    Na het overlijden van het zout-zeepziedersechtpaar Cazaux-Peill (resp. in 1817 en 1820) was Den Appel erin geslaagd zijn zwagers Jan Willem en Jan Gabriel Cazaux uit te kopen. Beiden begonnen daarna elders (Venlo resp. Maastricht) opnieuw met een eigen zoutziederij. Zijn zwager Jan Willem bleef echter nog eigenaar van een ongedeelde helft van het bedrijf. Het is zeker de bedoeling van Den Appel geweest de leiding van de zoutziederij aan de Brusselsestraat geheel in handen van zijn daarin ervaren vrouw Martha Cazaux te leggen, maar dat mocht niet lang beklijven, want Martha stierf, nog geen vijftig, al onverwacht spoedig (1822). We mogen aannemen dat Den Appels toen 25-jarige dochter Sophia, die bij Martha was opgegroeid en met het zoutbedrijf vertrouwd was, in staat geacht werd dit familiebedrijf, mede gesteund door haar echtgenoot, de aannemer Willem Strengnart, voort te zetten. In een eerste stap koopt Strengnart op 22 Juni 1823 ondershands ten overstaan van notaris Jesse de onverdeelde helft, die nog steeds aan zijn zwager Jan Willem Cazaux toebehoorde, voor de som van Fl. 9.450. Hierin begrepen de helft van een onopzegbaar kapitaal van Fl.5.600 ten laste van de zoutziederij, waarvan de rente ten goede kwam van (de nabestaanden van) Juffer van Eyll. Een win-win-situatie: Jan Willem Cazaux kon met de opbrengst zijn schulden gemaakt voor zijn nieuwe Venlose zoutziederij aflossen en het drietal vader en dochter Den Appel en echtgenoot Strengnart kregen de vrije hand op de Brusselsestraat.

    Dat veranderde al snel want ook Maximiliaan den Appel komt kort daarna in 1825, 65 jaar oud, te overlijden. Kennelijk niet onverwacht, want nauwelijks binnen een maand verlangen zijn nabestaanden de verdeling van de erfenis. Ook is opvallend dat slechts een week voor zijn vertrek naar het hiernamaals hij zijn woonhuis in de Witmakersstraat ondershands verkocht aan schoonzoon Strengnart en zijn dochter Sophia. Zij was daar opgegroeid en had er haar eerste kind gekregen. Het moet een kapitaal pand zijn geweest afgaande op de koopsom van Fl. 7.725, waarin begrepen een kapitaal van Fl. 4.725 waarmee het huis toen bezwaard was. Het verbaast dat de als succesvolle koopman bekend staande Van Appel zich met een zo groot kapitaal bezwaarde. We zullen nog zien dat dit pand met deze bezwaring later nog in de nalatenschap van Strengnart aanwezig was. Wellicht bestaat er een samenhang met het nieuwe statige kantoorpand aan de Brusselsestraat (later Maison de Seydlitz genoemd) staande vóór de zoutziederij, dat tussen 1823 en 1825 daar door Den Appel was neergezet met het vooruitzicht van een florissante toekomst voor de zoutziederij. In 1823, bij de aankoop van de ongedeelde helft van de zoutziederij van Jan Willem Cazaux, was er nog geen sprake van dit prachtige pand. In 1825, anderhalf jaar later, zit het nieuwe pand in de nalatenschap van Maximilaan den Appel en blijkt onbezwaard.

    De zes kinderen van Den Appel, twee uit zijn eerste huwelijk, waaronder Sophia, en vier uit zijn tweede huwelijk, met Martha Cazaux, hadden kennelijk haast om de nalatenschap te gelde te maken. Zij verlangen een openbare verkoping van hun vaders bezittingen, die door notaris Jesse als volgt in zijn advertenties werden aangeprezen: “openbare opveiling en verkoping aan den hoogstbiedende der hierna beschreve patrimoniele goederen, gedeeltelyk toebehoorende aan de nalatenschap van wylen den heer Maximiliaan den Appel, in zyn leven zoutzieder in gezegd Maastricht te weten:
    1.Eene zeer schoone tans dienende en neringrijke zoutziederij, gelegen op de Brusselsestraat te Maastricht bestaande in ses pannen met aanhorige kuijpen, vuilbakken, citernen en verder toebehoor, daar en boven in eene werktuigelijke molen door een paard beweegd /:dog zonder paard zullen verkogt worden :/ en bij onderaardsche looten pijpen, leijdende de nodige wateren tot de respective kuijpen en pannen, als mede nog in verscheide groot zoutmagazijnen met hunne zolders en onderaardsche steenen en gecimenteerde bakken, benevens een groot gebouwd, bevoeg en onlangs gedient hebbende tot ene zeepziederij met oliekelders en naast gelegen stallingen in twee groote remisen.
    2. Een mooi en nieuw gebouwd huis naast voorschreven zoutziederij gelegen met aanhorigen tuin en kelders, zeer geschik en gedient hebbende tot den wijnhandel.”


    Men leest zelden in de Nederlandse vakliteratuur een zo gedetailleerde beschrijving ad 1. van de samenstelling van een zoutziederij. Het fraaie gebouw ad 2. is later (ca. 1850), na een uitbreiding door de latere eigenaar Hubert Seydlitz, op papier vereeuwigd door de bekende Maastrichtse tekenaar Philippe van Gulpen.

    Het verbaast niet dat de kapitaalkrachtige aannemer Willem Strengnart erin slaagde het hele complex (inclusief zijn in 1823 reeds verworven eigen helft) aan te kopen en wel voor de som van Fl. 17.050, slechts Fl. 2000 boven de ingezette prijs. De oplettende lezer zal niet zijn ontgaan dat er sinds 1823, zuiver pecuniair gezien, ondanks uitbreiding sprake was van een waardevermindering van de zoutziederij. In 1823 betaalde Strengnart voor de helft ervan en zonder nieuw gebouw Fl. 9.450 aan Jan Willem Cazaux; in 1825 krijgt hij het hele complex inclusief nieuw kantoorgebouw voor Fl. 17.050. Had hij aan zijn zwager Jan Willem Cazaux een gewiekstere tegenspeler of had Strengnart in 1825 simpelweg bof omdat er geen serieuze concurrenten voor de aankoop waren? Of is het eerder zo dat bij zakelijke transacties tussen familieleden, waarvan hier meerdere malen sprake was, de regels van economische rationaliteit niet opgaan?

    Over het reilen en zeilen van de zoutziederij onder het regime van het echtpaar Strengnart-Den Appel is totnutoe nauwelijks iets bekend. Er zijn geen aanwijzingen voor verdere uitbreidingen van het bedrijf gevonden. De tijden tot aan de Belgische afscheiding waren niet ongunstig. Het Bassin en de Zuidwillemsvaart werden geopend, leidend tot drastisch lagere transportkosten van het ruwe zout uit Westnederland. Ook de afzet naar het Rijnland floreerde door de sterk stijgende vraag aldaar, mede door de daar opkomende kleinindustrie. Willem Strengnart heeft daarvan niet lang kunnen genieten. Nog geen 50 jaar oud overleed hij in 1830 te Maastricht, vermoedelijk niet onverwacht. Reeds drie maanden na zijn verscheiden was notaris Pierssens te Sittard in staat een inventaris van Strengnarts omvangrijke bezittingen op te stellen en de nog uitgebreidere Successiememorie verscheen al een maand daarna. Opvallend is ook dat echtgenote Sophia al in 1829 Hubert Seydlitz verzocht uit Venlo naar Maastricht te komen en haar zoutziederij aan de Brusselsestraat te gaan leiden. Kennelijk was Willem Strengnart er niet meer toe in staat. Hubert Seydlitz en Sophia Strengnart-den Appel schenen elkaar goed te kennen zoals uit brieven van Huberts schoonmoeder Lisette Merkens uit Keulen aan haar dochter in Maastricht blijkt. Vermoedelijk is de vroegere stage van Hubert bij Cazaux daar de verklaring voor. In Venlo liet Hubert Seydlitz de lopende zaken in zijn twee zoutziederijen aldaar over aan zijn bedrijfsleider Pieter Lienders. 1829 is het begin van de betrokkenheid van Hubert Seydlitz bij de zoutziederij in Maastricht en dat zou tot 1871 zo blijven.


    Zoutziederij Seydlitz ca. 1850, tekening Philippe van Gulpen (Bron: RHCL,THA GAM,Cvdn 67)






    De zoutzieder en koopman Hubert Seydlitz genoot in Maastricht veel vertrouwen, niet alleen bij Sophia Strengnart. Al vrij snel in 1833 werd hij als lid van de Kamer van Koophandel opgenomen als opvolger van de 1829 overleden collega-zoutzieder Jan Gabriel Cazaux en hij zou zich tot een daadkrachtige pleitbezorger van de Maastrichtse en Limburgse handelsbelangen ontpoppen. Het was zeker zijn bedoeling, passend in de strategie van het Keulse ouderlijke handelshuis Seydlitz & Merkens, om de zoutziederij aan de Brusselsestraat in eigendom te verwerven en zout voor de Pruisische Rheinprovinz te produceren. Sophia den Appel zou daar geen bezwaar tegen hebben gehad, doch zij had het vooralsnog niet voor het zeggen. De bij Strengnarts overlijden pas elfjarige enige zoon en mede-erfgenaam Jan Jacob (1819-1870) was er de reden toe dat het pas in 1841 bij diens meerderjarigheid onder leiding van de Sittardse notaris Pierssens tot een erfdeling tussen moeder en zoon kon komen. Bij die gelegenheid werd aan beide erfgenamen noodgedwongen het naakte eigendom van een helft van de Maastrichtse zoutziederij toegewezen, anders was het niet tot een financieel sluitende erfdeling gekomen. Ten overstaan van de Maastrichtse notaris De Filize kon Sophia Strengnart pas in 1844 door onderhandse aankoop van de helft van haar zoon het volledige eigendom verwerven en daarna de komplete zoutziederij in 1846 ondershands aan Hubert Seydlitz verkopen, die er al sinds 1829 voor eigen risico pachter en bedrijfsleider van was. De overdracht geschiedde voor de som van Fl. 22.000, in mindering waarvan het reeds eerder genoemde onopzegbaar kapitaal van Fl. 5.600 komt, waarvoor de koper een jaarlijkse 4% rente aan Mejuffruw van Eyll voor zijn rekening moest nemen. Dat jaar betekende het einde van de circa twintigjarige betrokkenheid van de familie Strengnart bij de Maastrichtse zoutziederij. Nog in hetzelfde jaar breidde Seydlitz het kolossale kantoorpand van de zoutziederij uit met een vierde travee mit inrijpoort (rechts in afbeelding).Sophia Strengnart-den Appel trok zich terug op haar landgoed Abshoven en overleed daar op 13 februari 1867. Abshoven was ook het hoofd-domicilie van haar zoon Jan-Jacob die in 1849 te Munstergeleen Maria Wilhelmina Tack huwde en met haar vele kinderen had. Zij vertoefden regelmatig ook in hun woning in Maastricht Langs de Maas nr. 617. Jan Jacob was lid van de provinciale staten van Limburg, maar daarvan zijn geen sporen in de kranten van die tijd gevonden. Ondanks het kolossale familiebezit, door zijn vader en grootvader opgebouwd, kwam Jan Jacob Strengnart niet voor op de lijsten van Limburgs hoogstaangeslagenen in de directe belastingen, wat wel het geval was bij de nazaten van Hubert Seydlitz.

    Bronnen:

    Bovy, Piet De familie Seydlitz in Maastricht: ondernemers, bestuurders en bankiers. Posting Internetforum MestreechOnline 29.08.2014.
    Bovy, Piet De zoutzieders Cazaux in Maastricht. Posting Internetforum MestreechOnline 19.10.2017
    Bos,N. Notabele ingezetenen. Historische studies over Nederlandse elites in de negentiende eeuw. Brunssum 1995.
    Janssen, A. e.a. Abshoven, wel en wee van een monument en zijn bewoners. Monografieen uit het Land van Sittard, deel 22. Sittard 2014
    Langeweg, S. Het bassin. Maastrichts Silhouet Nr. 58, Maastricht 2001
    Morreau, L.J. Bolwerk der Nederlanden. De vestingwerken van Maastricht sedert het begin van de 13e eeuw. Van Gorcum, Assen, 1979.
    Morreau, L.J. De aannemer Willem Strengnart en de versterking van Maastricht in de jaren 1815-1821. In: De Limburgse Leeuw Nr. 7 (1958-1919) 116-119
    Muuse,W. Abshoven en Strengnart, in: De Maasgouw, Nr. 76 (1957)115-118
    Muusse,W. Het verdwijnen van de Maastrichtse zoutziederij, in: De Maasgouw Nr. 77 (1958 ) 23-25
    Spiertz,M.G. Maastricht in het vierde kwart van de achttiende eeuw. Kerkelijke, politieke en sociale verhoudingen 1775-1801. Assen1964.
    Notarisaktes Pierssens, De Filize, Jesse
    Kranteadvertenties Journal de la Province de Limbourg 1816-1828
    De leefs mer eine kier .
Bezig...
X