Aankondiging

Sluiten
No announcement yet.

Bureau voor werving Zouaven in Maastricht

Sluiten
X
 
  • Filter
  • Tijd
  • Tonen
Clear All
nieuwe berichten

  • Bureau voor werving Zouaven in Maastricht

    In De Trompetter van vorige week stond een artikel over een serie lezingen die door Jos Engelen gegeven worden over de zouaven die afkomstig waren uit Limburg. In dat artikel stond dat er 70 zouaven uit Maastricht afkomstig waren. Dat leek me vrij veel, dus ben ik verder gaan kijken. (Als terzijde, lezingen van Jos Engelen (Sittards Verleden) zijn altijd boeiend)

    In Maastricht was blijkbaar een van de vier wervingsbureaus voor de zouaven, naast Amsterdam, Tilburg en Oudenbosch. Waar was dat bureau in Maastricht?

    In Oudenbosch is het zouavenmuseum gevestigd. Daar staan ook alle namen vermeld, alfabetisch.



    Ter informatie (zie de volgende drie postings, getiteld: zouaven 1, 2 en 3) een artikel dat oorspronkelijk verschenen is in het Kwartaalblad Westfriese Families, 25e jaargang no. 1, maart 1984, pagina 24-32. Dit artikel is inmiddels op meerdere plaatsen in het publieke domein te vinden, onder andere bij de Nederlandse Genealogische Vereniging.
    Last edited by hermanw; 23 mei 2012, 07:11. Reden: Aanpassing literatuurverwijzing

  • #2
    Zouaven 1

    Frans-Belgische Tirrailleurscompagnie en de Pauselijke Zouaven

    In 1860 was de kerkelijke staat in ernstig gevaar. Paus Pius IX kon echter op weinig steun van buiten rekenen. De paus begreep dat hij een sterker leger nodig had om zijn grondgebied te verdedigen.
    Hij stelde de Belg Xavier de Merode als prelaat aan, die de Pauselijke legers moest reorganiseren. Reeds op 20 mei 1860 werd in Rome de eerste zogenaamde Frans-Belgische Tirailleurscompagnie opgericht onder leiding van de Franse generaal Lamoricière. Het bestond voor het overgrote deel uit Franse en Belgische vrijwilligers die gehoor hadden gegeven aan de oproepen in de katholieke pers om paus Pius IX daadwerkelijk te komen helpen.
    Koning Victor Emmanuel II van Sardinië-Piemonte viel op 11 september 1860 de Pauselijke staten binnen. De Franse en de Belgische versterkingen ten spijt werd het kleine Pauselijk leger onder de Franse generaal Lamoricière zeven dagen later verslagen in Castelfidardo (bij Ancona).
    Na deze nederlaag werd de tirailleurscompagnie ontbonden en vervolgens op 1 januari 1861 onder de naam "Pauselijke Zouaven" opnieuw opgericht.
    Vanaf die datum opende Kerkelijke Staat ook zijn deuren voor vrijwilligers van andere nationaliteiten. De Paus richtte een oproep tot de katholieke jongeren in de wereld om hem te hulp te komen.

    Werving
    In Nederland kwam de werving van Zouaven omstreeks 1861 op gang. Rondreizende priesters brachten in Nederland deze pauselijke oproep rond. Die werving liep over vier bureaus, gevestigd in Amsterdam, Oudenbosch, Tilburg en Maastricht. Het enthousiasme in katholieke kring was hier nog groot, in tegenstelling tot andere landen.

    In het Brabantse Oudenbosch liet pastoor Hellemons een Zouaven-opvangcentrum inrichten. Oudenbosch was in de jaren 1864-1870 het voornaamste verzamel- en vertrekpunt van de aspirant-Zouaven vanuit Nederland. Tussen 1860 en 1870 melden zich ongeveer 10.000 vrijwilligers (waaronder 3.181 Nederlanders, 2964 Fransen en 1.634 Belgen). Met ruim 3.000 man vormden Nederlanders het grootste contingent.
    De meeste Zouaven werden gekeurd in Brussel en daar geregistreerd. Vervolgens trokken ze via Parijs naar Marseille, vanwaar ze per schip naar Civitavecchia, een havenplaats bij Rome, werden vervoerd. In Rome volgde een tweede, strengere keuring. Daar werden ze opnieuw ingeschreven en ontvingen ze een wapennummer, het matricule nummer.
    Uit het feit dat het Zouavenmuseum in Oudenbosch over diverse brieven en bidprentjes beschikt van Zouaven wier namen niet in de inschrijfregisters van Brussel voorkomen, blijkt dat er ook Nederlanders waren, die op eigen gelegenheid naar Rome vertrokken.

    Een Zouaaf mocht niet getrouwd zijn. Om Zouaaf te kunnen worden moest men uiteraard in de eerste plaats katholiek zijn en een verklaring van goed gedrag van de plaatselijke pastoor kunnen overleggen. Ordinaire avonturiers en huurlingen werden afgewezen. De Zouaaf werd gedreven door zijn geloof en door de overtuiging voor een rechtvaardige zaak te vechten. Hun strijdkreet was: "De zaak des pausen is de zaak van God!".
    Toch was er voor hen nóg een belangrijke reden om dienst te nemen: Men hoopte dat indien men met roem overladen thuiskwam zijn maatschappelijke en sociale positie aanmerkelijk zou verbeteren. In de praktijk bleek echter dat bij hun terugkeer hun sociale en maatschappelijke positie nauwelijks verbeterde.

    Opmerking


    • #3
      Zouaven 2

      Wapenfeiten

      Vanaf 1861 stroomden er uit Nederland, Frankrijk en België vrijwilligers toe en er werden successen geboekt. Overigens vochten er niet alleen Zouaven voor de paus: zij maakten ongeveer één derde deel uit van het leger, dat verder bestond uit jagers, karabiniers, gendarmes en een regiment infanterie.
      Van 1861 tot 1866 was het bataljon Zouaven in de weer met het verjagen van Garibaldis troepen of met het de kop indrukken van binnenlandse onlusten.
      Op 1 januari 1867 werd het bataljon een regiment en werd de leiding toevertrouwd aan de Zwitserse Kolonel Allet.
      De Zouaven onderscheiden zich op 13 oktober 1867 tegen Garibaldi te Monte Libretti en twee weken later te Monte Rotanda..
      De Franse legers en de Zouaven versloegen Garibaldi op 5 november 1867 te Mentona, wat de situatie zou doen stabiliseren tot in 1870.

      Het einde kwam op 5 augustus 1870 toen Frankrijk, dat net de oorlog had verklaard aan Pruisen, zijn troepen, die zich sinds 1849 in de staat ophielden, terugtrok. Dit deed onmiddellijk het aantal Italiaanse aanvallen stijgen.
      Toen na de val van Sedan op 1 september 1870 het Franse Tweede Keizerrijk ineenstortte, had Italië niets meer te vrezen van het Franse leger en viel op 9 september massaal de Pauselijke staten binnen.
      Ondanks heldhaftige tegenstand van de Zouaven kon de val van Rome (20 september 1870) niet meer vermeden worden. In 1870 werd de Porta Pia gebombardeerd. De paus begreep dat 5000 Zouaven het niet konden opnemen tegen 60.000 tegenstanders. Om verder bloedvergieten capituleerde hij.
      Op het Capitool in Rome werd een streep gehaald door de wereldlijke heerschappij van de Paus. De Kerkelijke Staat in z'n toenmalige verschijningsvorm had opgehouden te bestaan.
      Op 21 september 1870 werd het Pauselijk leger ontbonden en de Zouaven werden krijgsgevangen gemaakt. Binnen een week werden zij op de trein naar huis gezet. In oktober 1870 keerden de Zouaven in hun woonplaatsen terug en werden als helden ingehaald.

      Dienstneming

      De diensttijd bij de pauselijke Zouaven bedroeg twee jaar. Daarna ontving hij een militair paspoort, dat gold als reisdocument om terug te keren naar Nederland. Bijtekenen kon alleen vanuit Nederland.
      Wat het opleidingsniveau van de Nederlandse Zouaven betreft, het merendeel bestond uit jongens die een ambacht uitoefenden of in de landbouw werkzaam waren
      Hieruit zou te concluderen zijn dat niet alleen idealisme een rol speelde, maar ook de economische omstandigheden. De eenvoudige afkomst en het feit dat slechts weinigen Frans spraken hadden tot gevolg dat maar enkele Nederlanders tot de officiersrangen doordrongen.

      De Nederlandse vrijwilligers die in pauselijke dienst traden, verloren hun Nederlanderschap. Bij hun terugkeer konden zij echter binnen ca. drie maanden hun staatsburgerschap terugkrijgen. Het duurde dan een maand of drie voor koning Willem III, welwillend als hij was ten opzichte van deze naïeve idealisten, hun verzoek inwilligde.
      Ook koningin Emma heeft zich nog met deze verzoeken beziggehouden. In 1947 kregen allen postuum het Nederlanderschap terug. De laatste zouaaf, Petrus Verbeek, overleed op 30 september 1946, 95 jaar oud.

      Opmerking


      • #4
        Zouaven 3

        Kleding





        Hun schilderachtige uniform bestond uit een vest, een kort jasje en een wijde broek van grijsblauw laken, afgezet met veel dofrode tressen en chevrons, met rechts op de borst een klein pauselijk wapen van verguld koper aan een sierlijk kettinkje. Om het middel droeg men een brede rode ceintuur en om de benen beenwindsels of witte slobkousen. Lage bergschoenen en een grijze kepi, versierd met een kleine jachthoorn, completeerden het geheel.

        Dit tenue had graaf Becdelièvre ontleend aan het guerrillakostuum van zijn vroegere tegenstanders in de bergen van de kolonie Algiers, de z.g. Zouaven-keurbenden(**) van de Kabylen-stammen. Hierdoor werden de tirailleurs al spoedig in de volksmond "Zouaven" genoemd. En zo zou later hun officiële naam ook worden.

        ** Zouaven waren Kabylse soldaten die de lijfwachten vormden van de Berbervorsten. Toen deze soldaten in 1830 in Franse dienst werden genomen, ontstond daardoor het Franse korps der Zouaven. Geleidelijk werd het korps aangevuld met steeds meer Fransen tot het uiteindelijk uit uitsluitend Fransen bestond, die de oorspronkelijke schilderachtige klederdracht van de Berbers bleven dragen. (Dit korps vocht o.a. ook in de Krim oorlog).

        Opmerking


        • #5
          Herman is weer bezig geweest: leuk, leuk, leuk! Ben benieuwd wat er verder nog komt. Hopelijk iets meer over dat Maastrichtse wervingsbureau?

          Opmerking


          • #6
            Dank, ik ben ook benieuwd waar dat bureau was. Blijkbaar is dat zeer actief geweest om zo'n groot aantal vrijwilligers te werven. Op meerdere plaatsen worden met name Oudenbosch en Maastricht als centra genoemd.
            Bruer heeft een keer in een draadje van 'Boe is dat' gewezen op een grafmonument voor 3 zouaven op het oude kerkhof.

            Opmerking


            • #7
              Kerkelijke Staat tussen 1859-1870.jpg De Kerkelijke Staat.jpg

              Limburgse zouaven (1)

              Ik weet niet wat de heer Engelen precies aan literatuur gebruikt heeft voor zijn lezingen, ik kan het betreffende stuk in De Trompetter niet vinden (andere editie dan Maastricht).

              Het is echter niet onwaarschijnlijk dat hij voor de Limburgse situatie een samenvattend artikel heeft geraadpleegd dat ik eind 2003 schreef en in 2005 mocht publiceren in het Limburgs Tijdschrift voor Genealogie.

              In dat artikel heb ik alles wat ik in de toenmalige literatuur en kranten over Limburgse zoeaven kon vinden, samengevat. De moderne algemene literatuur beperkte zich tot het boek van Wim Zaal en de uitgave van drs. Petra van Essen (1997). Wat betreft die kranten beperkte die zich tot de krantendocumentatie van de Stadsbibliotheek Maastricht. Digitale krantenbanken waren er toen nog nauwelijks en Limburgse krantenbanken al helemaal niet. Van de archieven in Oudenbosch heb ik geen gebruik kunnen maken. Wel van enkele Limburgse archiefbronnen.

              Literatuur:
              * Ingrid M.H. Evers, 'Het Limburgse contingent zoeaven in de strijd om het behoud van de Kerkelijke Staat. "De koning van Nederland is mijn koning en ik kom wanneer hij mij roept; de paus is mijn vader en ik ga, als hij het mij vraagt" ', in: Limburgs Tijdschrift voor Genealogie 33 (2005) 69-87.

              * Zie ook De kleine geschiedenis van Limburg in 25 dagen (Waanders 2009-2011), dl. 13, pp. 31-39 (I.M.H. Evers).
              Last edited by Ingrid M.H.Evers; 12 augustus 2015, 09:23.

              Opmerking


              • #8



                Paus Pius IX in 1870, na de val van Rome en inmiddels de 'gevangene van het Vaticaan'


                Limburgse zouaven (2): de archiefbronnen


                Uit mijn onderzoek bleek, dat in de jaren 1860-1870 in totaal circa 250-300 Limburgse jongens en mannen zich als vrijwilliger aanmeldden voor het pauselijke zouavenregiment. Het exacte aantal zal wel nooit bekend zijn, omdat er geen 'Limburgse' administratie bewaard gebleven is en dat heeft een aantal oorzaken:

                * Er is geen betrouwbare inschrijving geweest in Nederland. Wie via Oudenbosch naar Brussel doorging, werd inderdaad geregistreerd. Dat waren met name degenen die via aanmelding vanuit het inschrijvingsbureau in Amsterdam naar het zuiden gingen.
                - Er was echter ook een inschrijvingsbureau in Tilburg, waar naar ik meen vooral Oost-Nederlanders terecht kwamen. Voor zover mij bekend is daar het archief niet van bewaard gebleven.
                - Degenen die vanuit Noord-Limburg vertrokken, werden verwezen naar een 'bureau' in Maaseik, namelijk bij de 'logementshouder en zaakwaarnemer Lambert Wakkers'; geen archief van bekend.
                - Vanuit Midden- en Zuid-Limburg meldden de kandidaten zich in Maastricht, bij het bureau van de uitgever Karel Hollman. Geen archief bewaard gebleven.
                - Alle Nederlandse en Belgische aspirant-zouaven kwamen samen in Brussel, voor een eerste medische keuring, administratieve afhandeling en reisbescheiden. Maar van dit centrale punt is mij evenmin archief bekend.

                * Dan zijn er degenen die 'Brussel' wisten te passeren, maar in Rome zonder registratie alsnog werden afgekeurd en teruggestuurd.

                * Ook 'verdwenen' degenen die na de moeilijke reis per trein vanuit Hasselt/Brussel en per boot vanuit Marseille (zo goedkoop mogelijk, dus vierde klas op het bovendek, in weer, wind en levensbedreigende storm) ziek arriveerden in Civitavecchia en aansluitend na enkele weken overleden in het ziekenhuis, nog voordat zij konden worden ingeschreven.


                * In Oudenbosch liggen kopieën van de inschrijvingsregisters uit Rome. Die vormen echter geen garantie voor duidelijkheid. Onbekendheid van de Romeinse ambtenaren met de Nederlandse taal en geografie leidde tot fonetische schrijfwijzen zowel van persoonsnamen als geboorteplaatsen/woonplaatsen. Onbekendheid van vele aspirant-zouaven met een andere dan de Nederlandse taal leidde eveneens tot grote onnauwkeurigheid. Verschrijvingen en onjuistheden zijn troef in de Romeinse matriculen (inschrijfregisters). Voor diegenen die de Franse taal machtig waren, geldt dit echter in veel mindere mate.

                * De handgeschreven Romeinse matriculen werden in de jaren 1920 in druk gegeven, waarbij opnieuw leesfouten werden gemaakt. Toen zijn ook nogal wat Nederlanders als Belg betiteld.

                * Een laatste hinderpaal om 'alle' Limburgse zouaven te traceren is, dat diegenen die door de mazen van de registratie vielen, uit het plaatselijk collectief geheugen verdwenen als zij daar niet meer terugkeerden of verhuisden. En sommigen traden in het buitenland in nog andere (vreemde) militaire dienst of aanvaardden daar een burgerbaan. Van de tussen 1880 en 1890 ontstane Nederlandse zouavenbonden, verenigingen ter onderlinge bijstand en gezelligheid voor oud-zouaven, is voor zover ik weet evenmin een [Limburgs] archief bewaard gebleven.
                Last edited by Ingrid M.H.Evers; 24 oktober 2019, 13:21.

                Opmerking


                • #9
                  Limburgse zouaven (3): onderdeel van een groter geheel

                  Zoals al gezegd heeft het Limburgse contingent zouaven bestaan uit circa 250-300 jongens en mannen. Dat is dan geteld over de gehele periode van 1860 tot september 1870. Het aantal individuen ligt waarschijnlijk eerder bij de 250 dan bij de driehonderd en dat komt, omdat enkele tientallen Limburgers na afloop van hun tweejarige diensttijd opnieuw tekenden.

                  In totaal zijn er in tien jaar tijd tenminste 11.000 vrijwilligers in het zouavenleger geweest. Daarvan kwamen er 3.181 uit Nederland, 2.964 uit Frankrijk, 1.634 uit België (waaronder 187 uit Belgisch-Limburg), 744 uit Italië, 498 uit Canada (vooral katholieke Frans-Canadezen). Ze kwamen in feite van over de gehele wereld, ook uit Zuid-Amerika, Australië, zelfs enkelen uit China!

                  De omvang van het regiment was tussen 1860 en 1870 nooit groter dan drie- tot vierduizend manschappen. Nederlanders maakten op het totaal van ruim 11.000 zouaven eenderde uit van het geheel. Niet alleen de Franse opperbevelhebber generaal de la Moricière en onderbevelhebber Charette waren onder de indruk van de Nederlanders, ook de paus. De 'Ollandese' vochten als leeuwen en redden verschillende malen de veldslag. Met name de overwinning bij Mentana (1867) was te danken aan de heldenmoed van de Nederlanders.


                  Aanval op Mentana, 1867. Schoolplaat..jpg

                  Prentbriefkaart van Nederlandse zouaven in de slag om Mentana
                  Bestanden bijvoegen
                  Last edited by Ingrid M.H.Evers; 12 augustus 2015, 09:25.

                  Opmerking


                  • #10
                    Limburgse zouaven (4): samenstelling en achtergronden

                    Ik kan hier onmogelijk het hele artikel samenvatten, maar een paar dingen springen er uit met betrekking tot de Limburgse zouaven. Net als alle andere zouaven waren de Limburgse vooral jonge jongens, tussen de 19 en 25 jaar oud. Een uitzondering was Henri Weerts uit Klimmen, die als veertiger waarschijnlijk werd aangenomen vanwege zijn ervaring als getrainde soldaat, zijn ijzeren gezondheid opgedaan als kluizenaar en het feit dat hij Frans sprak. Er circuleert een prentbriefkaart die suggereert dat hij eerst na 1870 kluizenaar werd, maar dat is gezien de bewaard gebleven correspondentie met broers en zussen onjuist.




                    Opvallend is echter dat de Limburgers voor een groot deel uit een ander milieu kwamen dan de Nederlanders in het algemeen. Het merendeel van de niet-Limburgers was afkomstig van het platteland, vaak ongeletterde boerenjongens, loonarbeiders, vissers etc., afkomstig uit de katholieke enclaves in Noord-Nederland, tot in West-Friesland (Lutjebroek!), Friesland en Groningen toe.

                    De sociale en maatschappelijke achtergrond van de Limburgers lijkt een andere te zijn geweest. Het waren vaak jongelui die een ambacht uitoefenden, of behoorden tot wat men 'de betere kringen' noemde. De winkelbediende en de behangseldrukker uit Maastricht, de bakkersgezel uit Sittard die zijn vaders zaak zou voortzetten, de man die later een drukkerij en boekhandel zou drijven in Roermond, de schoenmaker en de notarisklerk die uit Venray en Horst vertrokken.

                    Maar ook Alphons Houben, de zoon van een huisarts in Thorn, die op de laatste dag tijdens de slag om Rome (20 september 1870) zou sneuvelen; de zoon van uitgever Karel (Charles) Hollman in Maastricht; Huub Beckers, wiens vader koopman was, en voorzitter van de Maastrichtse Gemeente Spaarbank, en gemeenteraadslid, en kerkmeester van de St.-Martinusparochie (onder andere!), om er maar een paar uit de gegoede kringen te noemen. George baron de Rosen Borgharen was de enige Limburger van adel.


                    Aanval van de Italiaanse nationalisten op de Porta Pia, 20 september 1870.jpg

                    Deze vroege foto dd 20 september 1870 toont de aanval van de Italiaanse nationalisten op de Porte Pia, een van de toegangspoorten van Rome, het laatste bolwerk van de paus. Hier sneuvelde in de laatste strijd Alphons Houben uit Thorn.
                    Last edited by Ingrid M.H.Evers; 12 augustus 2015, 09:23.

                    Opmerking


                    • #11
                      Limburgse zouaven (5): het Maastrichtse wervingsbureau van Karel Hollman

                      Zouaven werden voor zover mij bekend in Limburg niet actief geworven door de clerus. Ook zijn er geen aanwijzingen dat het wervingsbureau in Maastricht gericht jongelui warm maakte voor de goede zaak.

                      De Limburgse aanmeldingen schijnen vooral tot stand gekomen te zijn via via. Waar in de rest van Nederland dorpspastoors de dienst aan de paus en de Kerk - dus God - stimuleerden, (of in enkele gevallen juist expliciet aspiranten ontmoedigden, bijvoorbeeld als zij kostwinner waren), lijkt in de plattelandsgemeenten in Limburg veeleer de dorpsgemeenschap en het vriendencircuit een grond voor aanmelding te zijn geweest. Dat de krantenberichten over de strijd van de paus tegen de nationalistische rebellenleider Garibaldi en koning Victor Emmanuel II daarbij een rol speelden, zal duidelijk zijn.

                      In een stad als Maastricht was er grote belangstelling bij de burgerij. Daaraan zullen de strubbelingen binnen de plaatselijke politiek (de liberalen rond burgemeester Pyls en de Grote Sociëteit tegenover de ultramontanen rond Petrus (Pie) Regout, de Momus, en uitgever Jos Russel) en de maatschappelijke en sociale positie van Karel Hollman niet vreemd aan zijn geweest.

                      Die belangstelling bij een ontwikkelde groep burgers heeft een deel van het Limburgse contingent een groot voordeel opgeleverd. Hollman, drukker-uitgever, realiseerde zich dat dienstneming in het zouavenleger in feite betekende dat men in vreemde krijgsdienst trad, iets dat voor volwassenen bij wet was verboden. Dat betekende dat men bij terugkeer in het vaderland statenloos zou zijn en van alle burgerrechten zou zijn beroofd. 'Oonder in Holland', waar vooral orde- en parochiegeestelijken de gangmakers van de werving waren, heeft men zich dit waarschijnlijk minder gerealiseerd. Als men er al aan heeft gedacht, dan zal het voor velen niet belangrijk hebben geleken, onbemiddeld - en toen dus niet voor het kiesrecht in aanmerking komend - als de kandidaten waren. Maar na terugkeer konden in veel plaatsen de statenloze oud-zouaven geen baan meer krijgen bij de gemeente, of bij een andere overheidsinstelling. Hubert Dolmans uit Itteren (gem. Meerssen) was een uitzondering toen hij als 'vreemdeling' in zijn gemeente werd aangesteld als koeherder, doodgraver en lantaarnopsteker. Hij kon er financieel net mee blijven drijven.


                      Willem III.jpg


                      Al was het later mogelijk na afloop van de diensttijd alsnog dispensatie te vragen bij de koning, velen hebben daar nooit moeite voor gedaan. Het verlies van burgerrechten werd voor de meeste Nederlandse zouaven pas echt betreurd met de komst van het algemeen mannenkiesrecht (1917). Wie nog altijd stateloos was, kon toen immers niet stemmen voor de Tweede Kamer, en dus in 1920 (gemeenteraadsverkiezingen in Maastricht en omgeving) of 1922 (landelijke gemeenteraadsverkiezingen) ook geen invloed uitoefenen op landelijke of plaatselijke politiek.

                      De meer vermogenden onder de zouaven, waaronder verschillenden uit Maastricht, hadden - mits oud genoeg - in de negentiende eeuw kiesrecht volgens het toenmalige census-kiesrecht. Hun ouders waren dus ongetwijfeld gespitst op een dreigend verlies van burgerrechten.

                      Ongeacht de maatschappelijke positie van zijn aspiranten zorgde Hollman ervoor dat ieder die zich bij hem aanmeldde, de koning officieel toestemming vroeg voordat hij in vreemde krijgsdienst trad. In bijna alle gevallen werd dit toegestaan, mits was voldaan aan enkele voorwaarden:
                      * men moest hebben voldaan aan de Nederlandse dienstplicht, hetzij zelf, hetzij via een nummerverwisselaar, of zijn uitgeloot;
                      * een enkeling werd afgewezen omdat hij nog niet bij de Nationale Militie was geweest, of omdat 'zijn maatschappelijke positie minder gunstig (was) en hij waarschijnlijk niet bij machte (was) zich te doen vervangen'. Zo iemand moest dus eerst zelf opkomen. Of zulke jongens later alsnog als zouaaf tekenden, heb ik niet uitgezocht.

                      In totaal zijn in Den Haag slechts 118 aanvragen bekend voor koninklijke toestemming, een miniem aantal vergeleken met de 3.181 Nederlandse inschrijvingen. Negen van de tien petities zijn, naar het archief daar mij heeft medegedeeld, uit Limburg afkomstig.

                      Aardig detail is, dat Hollmans zoon Frederik Hubertus als 19-jarige bij KB van 24 januari 1870 verlof kreeg in vreemde krijgsdienst te treden. Hij zou op 20 september de val in Rome meemaken en daarmee ook het einde van de Kerkelijke Staat.
                      Bestanden bijvoegen
                      Last edited by Ingrid M.H.Evers; 24 oktober 2019, 13:28. Reden: herstel diakritische tekens, redactie

                      Opmerking


                      • #12
                        Limburgse zouaven (6): wie waar wanneer?

                        Mijn onderzoek heeft uitgewezen dat circa 60 tot 70 zouaven afkomstig waren uit wat we nu kennen als de stad Maastricht, dus inclusief de in 1920 en 1970 geannexeerde gemeenten.

                        Het aantal is niet precies vast te stellen omdat:
                        1. sommigen mogelijk twee keer in mijn lijst voorkomen; dit omdat door verschrijvingen etc. niet altijd met zekerheid te zeggen is dat het om een en dezelfde persoon gaat;
                        2. sommigen een of twee keer bijtekenden en die nieuwe termijnen in de tellingen vaak als nieuwe inschrijving/persoon zijn gerekend, iets dat ikzelf niet heb gedaan.

                        De tellingen vertroebelen ook in de literatuur het beeld als er aantallen zouaven worden genoemd. Als men het heeft over 3.181 Nederlandse zouaven in een periode van tien jaar, betekent dat eigenlijk 3.181 inschrijvingen. Het werkelijke aantal personen moet enkele honderden lager zijn geweest. Voor zover mij bekend ben ik tot nu toe de enige die heeft differentieerd tussen het aantal inschrijvingen en het aantal personen.

                        Heremiet-zouaaf Weerts.jpg

                        Weerts zou bijtekenen voor opnieuw twee jaar en hervatte daarna zijn leven als kluizenaar op de Schaelsberg.


                        In bovengenoemd artikel in het Limburg Genealogisch Tijdschrift (zie posting #7) heb ik een zes pagina's lange alfabetische lijst van Limburgse zouaven opgenomen, met geboorteplaats en indien bekend de data van de diensttijd, en de woonplaats in 1892 of later. Bij elke naam is opgegeven waar de gegevens vandaan komen (literatuur), of in welk krantenbericht of archiefstuk nadere gegevens te vinden zijn. Er hangt dus een uitgebreid notenapparaat aan vast.

                        De lijst zal hier en daar zeker nog kunnen worden aangevuld (of ingekort), maar daar is meer onderzoek voor nodig. Iemand zou bv. de Limburgse lijst naast die van het museum in Oudenbosch kunnen leggen en de aanvullingen kunnen turven. Die lijst was in 2004 nog niet digitaal beschikbaar, althans, ik heb haar niet gebruikt.

                        Toen het artikel verscheen (2005) heb ik van verschillende kanten nog details en aanvullingen gekregen. In de lijst ontbrak ene Janneke Dreesen (Jean Driessen) uit Stevensweert, waarvan mij geen nadere gegevens bekend zijn. Van ene Wolter Lindemans uit Sittard vermoed ik, dat het dezelfde is als Guillaume Lindemans, die wel in de lijst staat.

                        De enige mij doorgegeven 'fout' in de lijst is tot nu toe ene Adriaan de Graaf, die geboren blijkt in Oud-Gastel en op basis van zijn geboorteplaats dus als Brabander zou moeten worden gerekend. Maar kennelijk ging hij er zelf van uit dat hij Maastrichtenaar was en inderdaad is hij in 1930 ook in die stad gestorven. Dus ik reken hem toch maar tot de Limburgers.

                        Nog wat aanvullingen op de lijst:
                        1. Cornelis Aerts bleek afkomstig van Maastricht;
                        2. T.S.H. Bollen was eveneens Maastrichtenaar;
                        3. Jozef Dohmen heeft als eerste naam Christiaan;
                        4. Christiaan Frantzen staat te boek als afkomstig van Maastricht, maar was geboren in Amby;
                        5. Joannes Wilh. Verheijden staat te boek als zijnde afkomstig van Susteren, maar is geboren in Dieteren.

                        Zouavengraf Tongerseweg, foto W. Lem.jpg

                        Zouavengraf op de Algemene Begraafplaats aan de Tongerseweg te Maastricht. Foto: W. Lem.
                        Ohé en Laak, zouavenmonument, foto Har Rutten.JPG

                        Zouavenmonument op het kerkhof van Ohé en Laak. Foto: Har Rutten.



                        Last edited by Ingrid M.H.Evers; 12 augustus 2015, 09:38.

                        Opmerking


                        • #13
                          Limburgse zouaven (7): manschappen en onderofficieren

                          Vermeldenswaard is nog dat de Limburgse zouaven een tiental onderofficieren leverden aan het zouavenregiment.

                          Er waren slechts enkele Nederlandse (onder)officieren. De meesten waren van Franse of Belgische gegoede komaf en dat had verschillende redenen:
                          1. de Franse en Belgische zouaven tekenden voor zes jaar, de Nederlanders voor twee jaar;
                          2. opklimmen tot officiersrang was pas na zes jaar mogelijk, ook voor leden van de adel; voor onderofficier duurde het tenminste drie à vier jaar;
                          3. de voertaal in het regiment was Frans en slechts weinig Nederlandse zouaven - vaak ongeletterd - spraken die taal; verder dan het aanleren van de noodzakelijke bevelen kwamen zij niet (zelfs dat was vaak een probleem!);
                          4. de positie van officier bracht sociaal verkeer met zich mee in onder meer Romeinse adellijke kringen; dat vereiste uit een zekere financiële onafhankelijkheid waarvoor het salaris van officier onvoldoende was.

                          In 1868 waren er acht Nederlandse officieren: één kapitein (de toen 24-jarige baron van Lamsweerde, die in 1860 als 16-jarige reeds had gevochten in de slag van Castelfidardo en in acht jaar tijd door de rangen omhoog was geklommen), één eerste luitenant en zes tweede luitenants, die allen door burgercomités in Nederland financieel werden ondersteund. Geen van hen kwam uit Limburg.

                          Voor de onderofficieren was de situatie financieel gezien minder nijpend, omdat zij minder sociale verplichtingen hadden. Tussen 1860 en 1870 werd een tiental Limburgers benoemd tot korporaal en/of sergeant benoemd. Aangenomen wordt dat dit, naast een door bijtekenen langer durende diensttijd, mede te danken was aan de bekendheid met de Franse taal.
                          Last edited by Ingrid M.H.Evers; 24 oktober 2019, 13:20. Reden: diakritische tekens

                          Opmerking


                          • #14
                            Limburgse zouaven ( : wervingsbureau Karel Lodewijk Hollman (1813-1882), drukker/uitgever

                            Charles Louis Hubert Hollman (ook Karel Lodewijk Hubert), geboren Maastricht 5 september 1813, overleden Maastricht 23 juli 1882, koopman, commandeur in dVaticaanse orde van den Heiligen Gregorius, trouwde Maastricht 17 mei 1841 met Maria Elisabeth Hubertina Theodora Rutten, geboren Maastricht circa 1817, overleden Maastricht 2 juli 1877, dochter van Petrus Henricus Rutten en Maria Gertrudis Henckelius.
                            (Citaat uit genealogie hier).

                            Hij was vader van tien kinderen, waaronder de wereldberoemde cellist Joseph Hollman. Hier nog een krantenartikel over de zouaven, waarin Karel Hollman wordt vermeld vanwege zijn inspanningen voor de burgerrechten van 'zijn' jongens.

                            Hollman was volgens een krantenbericht uit 1871 drukker en uitgever van de Courrier de la Meuse. Deze was gevestigd aan de oostzijde van het Vrijthof, rechts naast het latere pand van de Momus. Ik ga ervan uit dat daar ook het wervingsbureau was gevestigd.
                            Last edited by Ingrid M.H.Evers; 24 oktober 2019, 13:35. Reden: aanvulling, herstel diakritische tekens

                            Opmerking


                            • #15
                              Bedankt, Ingrid, voor deze geweldige informatie! Zo is weer een, voor menigeen onbekend, stukje geschiedenis van Maastricht tot leven gekomen.
                              Last edited by hermanw; 23 mei 2012, 07:44.

                              Opmerking

                              Bezig...
                              X