Aankondiging

Sluiten
No announcement yet.

Geschiedenis van de carnaval

Sluiten
X
 
  • Filter
  • Tijd
  • Tonen
Clear All
nieuwe berichten

  • #31
    chapeau

    Allereerst Chapeau aan Jef om dit a allemaal uit te zoeken en b in te voeren. Maar nu mijn vraag, mag kan ik jouw artikel gebruiken voor op mijn eigen website www.mestreechtersteerke.nl te zetten?

    Ik heb namelijk onder de kop van Mestreechter Steerke om de zoveel tijd een ander onderwerp mbt Maastricht, en voor februari hoe kan het ook anders wil ik een beknopte de geschiedenis van carnaval plaatsen. Natuurlijk ovv je naam en een link naar mestreech online..

    Ik hoor het graag van je nog veel succes met deze geweldige interactieve Mestreechter site..
    MestreechterSteerke gief um Mestreech.

    Opmerking


    • #32
      Allereerst bedank ik goofjohn voor de complimenten.
      En uiteraard mag jij alles gebruiken van dit artikel om op jouw webpagina te plaatsen.
      En als je even je privé bericht bekijkt van dit forum, dan vind je daar de gegevens waar je de foto's zonder hinderlijke tekst in de rechter onderhoek kunt vinden en zelf kunt downloaden.
      Whooow, wat een eer voor Mestreech Online (en ook voor mezelf) om opgenomen te worden op de webpagina van Ut Mestreechter Steerke.
      Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
      Thomas More

      Opmerking


      • #33
        Geschiedenis van de carnaval

        Narrenschip - Blauwe Schuit.

        Een schip op wielen dat bij parades over land werd voortgetrokken vinden we terug in verscheidene culturen en historische tijdperken.

        Al in 2600 voor Christus werden dergelijke schepen door de straten van Babylonië getrokken, ter gelegenheid van de Sacea- of Nieuwjaarsviering.
        In het oude Egypte werd eind december de stier Apsis rondgereden tijdens de zonnewendefeesten.
        De Grieken en Romeinen deden dit rond 21 maart -toen nog het begin van het nieuwe jaar- ter ere van Dionysus (of Bacchus voor de Romeinen), de schenker van levensvreugde en wijn.
        De Germanen vierden zo de wedergeboorte van de zon en de vruchtbaarheidsgodin Nerthus.

        Op deze Carrus Navalis of scheepswagens troonde meestal een slaaf die voor één dag als een koning werd vereerd.
        Armen verkleedden zich in rijken en rijken in armen.
        Dit omkeren van de maatschappelijke orde is nog steeds de wezenlijke kern van carnaval.
        Zodra de burgemeester de stadssleutels overhandigt aan Prins Carnaval neemt deze voor enkele dagen symbolisch de macht over in de stad.
        Alles mag, alles kan.

        Aan het eind van de Middeleeuwen deed de carnavalswagen zijn intrede in de Lage Landen:
        een narrenschip vol zotten die aan lager wal geraakte figuren voorstelden.
        Stuk voor stuk hadden zij een grote ondeugd of tekortkoming , die evenwel nog uitzicht bood op herstel.
        Moordenaars bijvoorbeeld werden uitgesloten.

        Samen vormden deze verlopen figuren gildes die een goed heenkomen zochten op de Blauwe Schuit.
        Lieden van alle rangen en standen waren er welkom op voorwaarde dat ze zich even losbandig, zondig en verkwistend bleven gedragen als ze al deden.
        Verlopen adel, rijkeluiszoontjes, domme kooplieden, vraatzuchtige monniken, geile nonnen, bazige vrouwen en gebuisde studenten.
        Ze werden pas ontheven van hun lidmaatschap als ze hun wijsheid terugvonden, trouwden of rijk werden.
        In het kielzog van een narrenschip organiseerde de plaatselijke bevolking overal wilde feesten en braspartijen.
        Sporen van dergelijke Schuit-gildes werden teruggevonden in Antwerpen, Breda, Nijmegen, Bergen op Zoom en Utrecht.

        De gildes ontpopten zich tot heuse cabaretgezelschappen.
        Via grappen en grollen namen zij de maatschappelijke structuren op de korrel en bespotten de mentaliteit en materiële bekommernissen van hun tijdgenoten.
        Zij hekelden de kerkelijke overheid en maakten heilige huisjes met de grond gelijk.

        Vandaar vermoedelijk de naam Blauwe Schuit.
        Het Blauw als sacrale kleur en de Schuit als middeleeuws zinnebeeld van kerkelijke instellingen werden het decor voor kluchten, allegorieën en parodieën.

        In de literatuur duikt de naam "Blauwe Scuut" voor het eerst op in 1413 in een gedicht van Jacob van Oestvoren, een 'repertoirehandschrift' bedoeld om voorgedragen te worden bij de vastenavondviering.



        Vermoedelijk baseerde Jeroen Bosch (1450-1516) zijn Narrenschip op dit gedicht.

        De Blauwe Scuut is een uitnodiging aan
        "... Alle ghesellen van wilde manieren
        Te comen in die Blauwe Scuut
        Ende in der Blauwer Scuten ghilde
        Sijn si onedel of van den scilde ..."


        Prins Carnaval nodigt alle zotten uit om met de Blauwe Schuit mee te varen, namelijk:
        * Edellieden die boven hun stand leven,
        * Hoge en lage geestelijken die het kerkelijk bezit verteren,
        * Monniken die bedelen om goede sier te maken,
        * Poorters en vooral hun zonen, die hun kapitaal opmaken,
        * Nonnen en begijnen die hun liefde verkopen,
        * Oude vrijsters die hun schade proberen in te halen,
        * Handwerkers en winkeliers die meer uitgeven dan ze verdienen,
        * Knechts en meiden die een zorgeloos leventje leiden.

        Iedereen die zich meer door dwaasheid dan door wijsheid laat leiden, is welkom.
        Het gilde is echter niet toegankelijk voor misdadigers en hoeren.
        Het lidmaatschap wordt beëindigd zodra men wijs wordt, in het huwelijk treedt of tot rijkdom geraakt.



        De tocht van een narrenschip in deze streek werd eeuwen geleden beschreven als een duivels spektakel, dat de woede van god afriep.
        Het begon als een conflict tussen een boer en het weversgilde en eindigde als een veldslag.
        Abt Rodulf heeft het opgetekend in een handschrift van de 'Kroniek van de abdij van Sint-Truiden' ('Gesta Abbatum Trudonensium').
        Het spektakel speelde in 1133.
        Een boer uit Cornelimunster liet - om wraak te nemen op wevers die hem onrecht hadden aangedaan - een schip timmeren waarmee hij hen aan de kaak wilde stellen.
        In de middeleeuwen was het weversberoep eerloos, omdat deze mannen vrouwenwerk verrichtten.
        Het opgetuigd schip op wielen werd met kabels naar Aken getrokken, waar een grote menigte het verwelkomde.
        De baldadige wevers sleepten het schip naar Maastricht en daarna naar Tongeren en Borgloon.
        De vrome abt Rodulf in Sint-Truiden zag in het schip - 'omstoeid door een volkje van zulk een allooi' - het visioen van naderend onheil.
        Er werden boze geesten meegevoerd.
        Hij liet met enige medestanders beslag leggen op de schertsboot die hij als een uiting van 'bestialiteit en heidendom' zag.
        De wevers klaagden dat ze werden gediscrimineerd.
        En de monniken beklaagden zich, dat er 'christen-onwaardige liederen' op allerhande muziekinstrumenten ten gehore werden gebracht.
        's Avonds dansten, schrijft de abt, halfnaakte vrouwen met loshangende haren bij het 'land-schip'.
        Wel duizend mensen feestten de hele nacht.
        De heidense feesten duurden meer dan twaalf dagen.
        Daarna werd het narrenschip naar Zoutleeuw gesleept.
        Leuven liet 'het onheilbrengend monster' echter niet door de stadspoorten trekken.
        De heer van Leuven trok - vanwege de dreigende wanorde door het schip - met een compleet legertje de nabij Zoutleeuw gelegen stad Duras binnen.
        De abdij van Sint-Truiden raakte in de veldslag die volgde kerken, molens en hoeven kwijt.
        En het abdijgebouw werd voor de zoveelste maal geplunderd.



        NARRENSCHIP
        De nar is het beeldmerk van de middeleeuwse spot- en lachcultuur die systematisch de wereld op zijn kop zette: de koning is een zot!
        Hij verstoorde rinkelend God's orde en luidde daarmee de moderne tijd in.
        Het narrenschip werd het symbool van de "Mensheid-op-Drift", van de maatschappij die beseft haar koers kwijt te zijn.
        De aarde was niet langer het middelpunt van het heelal noch Europa het centrum van de wereld.
        Deze twijfel maakte de revolutionaire expansie mogelijk die de continenten zou omspannen en de wetenschap deed exploderen. Dit is de bijdrage van de carnavaleske traditie in de geschiedenis van Europa en de Europese bijdrage aan het erfgoed der mensheid.

        Het "Narrenschip" werd ook "Zottenschuyt", "Zuypschuyt", "Speelschuyt" of "Blauwe Scuut" genoemd en het inspireerde artiesten als Jheronimus Bosch en Albrecht Dürer.
        Zeer belangrijk is Sebastian Brant.
        Hij schreef 's-werelds eerste bestseller in 1494 te Basel: "Das Narrenschiff" en dat tot een 'divina satira' werd uitgeroepen.
        Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
        Thomas More

        Opmerking


        • #34
          Geschiedenis van de carnaval

          Zaate Herremenie - John Hoenen

          Hoeveel serieuze activiteiten Maastrichtenaar John Hoenen ook heeft verricht en nog doet, voor de meesten is hij toch op de eerste plaats de uitvinder van de 'Zaate Herremenie'.
          In die hoedanigheid is de musicus, dirigent, journalist en schrijver absoluut onsterfelijk.
          "Het was in het voorseizoen van carnaval 1959.
          1958 dus nog.
          Ik was musicus, jazztrompettist, maar het leek me ook gezellig om met carnaval gewoon op straat te spelen.
          Gezellig samen, met een aantal mensen, in een soort optocht.
          Spontaan.
          We trokken ook met dat clubje in de echte optocht mee.
          Het was leuk.
          Die naam, toen zaat herremenieke, heb ik trouwens niet bedacht.
          Die heeft het volk eraan gegeven.
          Het was aanvankelijk de naam van onze kapel, vervolgens werd het een groepsaanduiding voor alle met carnaval musicerende groepen, vals of niet vals."
          Hoenen is naast musicoloog ook cultuurhistoricus.
          "Vroeger liepen carnavalisten achter een accordeonist aan, eventueel begeleid door een trommelaar, van café naar café.
          Maar de trekzakspelers werden minder.
          Bovendien kon je met een aantal blazers gemakkelijker de jukeboxen overstemmen.
          We vormden net op het goede moment het juiste alternatief.
          Wij waren levemekers en straoteluipers."



          Een zaate herremenie is volgens de bedenker wat anders dan een kapel.
          "Een zaate herremenie draagt geen kostuums en is geen eenheid.
          Je trekt gewoon wat aan, vroeger 'ene loomel om 't lief', verzamelt en gaat trekken.
          Zeg maar de boonte störrem-kleding.
          Ons eerste vaandel was een bezem met een dweil eroverheen.
          Het is carnaval, je moet het allemaal niet te serieus nemen.
          Goed kunnen spelen is niet belangrijk, het mag vals zijn.
          Een zaate herremenie ontstaat spontaan.
          Als je al samen gaat repeteren is dat een aanleiding om samen te drinken.
          Je instrument kun je dan thuis laten."



          HET LIED
          Pas vele jaren later, in 1972 schreef John, na een aantal klassieke stukken, een liedje over het door hemzelf bedachte fenomeen: 'De zaate herremenie'.
          "Het moest natuurlijk een mars worden.
          Dan past het verkleinwoord niet, dus werd het herremenie."
          Het lied werd meteen bekroond en uitgeroepen tot winnaar van het eerste Mestreechse Vastenaovesleedjeskonkoer in 1972 (voor het carnavalsjaar 1973).
          Juryleden waren Math van Lijf en Mao Willems.
          Koor De Maasvogels en de Zaate Herremenie namen de officiële plaat op in 'D'n Hiemel', maar de door Beppie Kraft gezongen versie verkocht uiteindelijk beter.
          John: "De vastelaovend was toen in Maastricht tanende.
          De warenhuizen gingen op dinsdag weer open en het personeel moest komen werken.
          Daarom organiseerden De Tempeleers op carnavalsdinsdag 1973 het eerste Zaate Herremeniekeskonkoer, naar een voorbeeld in Beek.
          Het werkte: tal van herremeniekes trokken de stad in en haalden de werknemers weg bij V&D en de Hema.
          De carnavalsdinsdag was gered, mede door de zaate herremenie, die weer een begrip werd door het konkoer.
          Tegenwoordig heb je 50 tot 60 deelnemende herremeniekes, die allemaal de eerste plaats halen, met 111 punten en Brussels lof.
          En elke herremenie trekt een aantal cafés binnen.
          Het is nu een hoogtepunt van de Mestreechter Vastelaovend."



          TROTS
          Dat net een doctorandus musicologie en voormalig dirigent van toonaangevende koren en harmonieën vooral herinnerd wordt vanuit zijn zaate herremenie deert hem niet.
          Hij schrijft tegenwoordig boeken, onder andere over Camille Oostwegel, die hem prijst: "Met de zaate herremenie is hij één van de uitvinders van het joie de vivre."
          Ook Toon Hermans trok in de jaren '60 graag, gemaskerd, mee met de zaate herremenie, net als Pieke Dassen en vele anderen.
          Hoenen is zelf verbaasd dat de zaate herremenie al 50 jaar meegaat.
          "Je hebt tegenwoordig ook sambabands.
          Geweldig, maar die kunnen geen melodieën brengen.
          Je kunt dus niet meezingen.
          De elektronische muziek overstemt soms de zaate herremenie in de optocht en in de cafés.
          Dat is jammer.
          Daarom brengt de zaate herremenie meer carnaval naar buiten.
          Ze staan dus vaak buiten, voor het café, vanaf dit jaar samen met de rokers."
          In Maastricht zorgt de zaate herremenie nog altijd voor een chaos in de optocht.
          "Ze springen in en uit de boonte störrem als hen dat uitkomt.
          Dat is geweldig!
          Ze zijn er bij het inhalen van de prins en bij de sluiting."
          Een goede zaate herremenie heeft een stamcafé, voor authentieke Zaate Herremenie is dat 'Hallo Mestreech'.
          "De leden van een zaate herremenie moeten trouwens een beetje aangeschoten zijn.
          Wist je dat een beetje herremenie zes tot zeven kilometer per dag loopt?
          Het is nog goed voor de lijn ook!"



          CAFÉ
          Een groot deel van zijn schrijfwerk voor diverse opdrachtgevers doet hij 'publiek', aan een cafétafel.
          "Soms valt me thuis het dak op mijn hoofd.
          Dan wil ik er even uit.
          Dus bezoek ik een café, vaak de Struys.
          Daar doe ik meteen ook weer inspiratie op.
          Hier valt me van alles in."
          Carnaval 2009 staat voor de deur.
          De boonte störrem telt alleen in Maastricht al zo’n 60 zaate herremeniekes, in de rest van Limburg nog veel meer.
          In Brabant heten ze dweilorkest, elders weer anders.
          Alle met dank aan John Hoenen, die hier net de tas koffie vervangt door e gleeske beer.

          Webpagina van de Zaate Herremenie.

          De zaate herremenie
          Heij in us aajd Mestreech is weer ‘n nuj orkes
          Ze speule wel hiel hèl, mer valser es de res
          Ze zien altied bejjein en hauwe op de kis
          Me huurt ze euveral, auch es ‘t aofgeloupe is

          De zaate herremenie, de zaate herremenie
          Die trék altied mer weijjer, auch al kinne ze neet mie
          De zaate herremenie, de zaate herremenie
          Die speult neet sjoen met hél en dus veur twie.
          (tekst en muziek: John Hoenen)
          Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
          Thomas More

          Opmerking


          • #35
            Geschiedenis van de carnaval

            Straatcarnaval.

            Maastricht staat vooral bekend om zijn straatcarnaval, een wervelende 'bonte storm' waarop de stad het alleenrecht lijkt te hebben.
            De 'Boonte Störrem' is thans het veelkleurig etiket van een hossende, zingende en pleziermakende massa van duizenden, die drie dagen lang door de binnenstad 'dweile', waar ze op gezette tijden aanleggen bij kaffee of straatbuffet.

            Het zal menigeen verbazen, dat de benaming 'Bonte Storm' al vele tientallen jaren bestaat.
            Het was de titel die de Maastrichtse literator Matthias Kemp (1890 - 1964) in 1929 gaf aan zijn eerste roman, de eerste carnavalsroman overigens in de Nederlandse literatuur.
            Nu is het al lang geen proza meer, maar zinderende realiteit.

            De 'Bonte Storm' is een carnavalsroman, spelend in het hart van die bonte cycloon: Maastricht.
            Geheel opgenomen in de zotte draaikolk van hartstocht en jolijt, beleeft de lezer dit feest, dat een hele stad op stelten zet, zelf mee.
            Een boek dat bruist van levenslust.
            Bij de tweede druk schreef Matthias Kemp: " 'De Bonte Storm' is, sedert 1929, een uitdrukking geworden in de Nederlandse taal, die voordien daar niet in voorkomt.
            'De Bonte Storm' werd zelfs synoniem voor carnaval, vastenavond en carnavalsviering.
            Men bezigt deze woorden meer en meer voor reclame-doeleinden..... zonder over eventuele autersrechten na te denken."

            Een recensie uit 1930, verschenen in de Elsevier.
            MATH.KEMP, De bonte Storm.
            Den Haag, H. P. Leopold's U.M., 1929.
            Als niet Mathias Kemp dit boek geschreven had, hij die één van de eerste onder de jongste dichters was van wien men zeggen kon, dat hij het epigonisme in aanleg overwonnen had, zou het niet moeilijk zijn dezen carnavals-roman te prijzen als ontspanningslectuur van de goede soort.
            Doch nu dringt zich telkenmale de bijgedachte op: had deze jonge dichter niets beters te geven.
            Waarom moest juist hij dit boek schrijven, dat zoo gemakkelijk door vele anderen zou kunnen geschreven zijn?
            Aan de kwaliteiten van het boek doet, zooals gezegd, dit alles niets af.
            Het is vlot geschreven, boeiend; misschien hier en daar een tikje te intellectueel, maar het laat zich genoegelijk lezen in een verloren uur.
            En daarmee, meenen wij, heeft het volkomen beantwoord aan zijn doel.
            Maar wat, in vredesnaam, beteekent dit „doel" voor den schrijver van „Het Wijnroode uur" en „De Vreemde Vogel"?
            Is het de slechte weg der journalistiek, die hem zoover heeft gebracht?
            Wij kunnen slechts gissen, maar betreuren het, dat van de weinigen, helaas, die in dezen tijd geroepen blijken onze dichtkunst te dienen zoo weinig verantwoordelijkheidsgevoel uitgaat, dat zij zich leenen tot het schrijven van amusements-litteratuur.
            Wanneer zij in deze dagen van vervalsching en vervlakking zich al willoos overgeven aan den mode-stroom, wat moet er dan worden van het Werk, dat hun toevertrouwd is?
            Zij loopen er over heen en vertrappen het.
            ROEL HOUWINK.


            Omslag van de roman 'De Bonte Storm'.

            Het straatcarnaval zoals we het nu kennen. is echter niet altijd geweest in Maastricht.
            In de jaren vijftig en zestig van de 20ste eeuw werd Vastelaovend in Maastricht hoofdzakelijk in zalen gevierd.
            Aan kop ging het zalencomplex in het toenmalig Staargebouw achter de Sint Janskerk.
            Andere lokaties waren De Berchmans in de Bredestraat, De Stuers in de Kruisherengang, Victoria Taverne in de Wycker Brugstraat en Momus aan het Vrijthof.
            Momus gold jarenlang als de erkende residentie van de stadsprins en zijn Tempeleers.
            Iedere rechtgeaarde Maastrichtse carnavalist moest er die dagen tenminste eenmaal zijn geweest.
            Men hoste in troppe naar binnen, wrong zich naar de bovenverdieping waar de houten vloer vervaarlijk doorboog onder het stampvoetend geweld en trok na verloop van tijd weer de straat op.
            De uitbater had vaak het nakijken.
            Hij was echter zakenman.
            Om naar goed christelijk gebruik de dorstigen te laven en zichzelf, zijn kelners en ingehuurde accordeonist toch niet tot slachtoffer van liefdadigheid te maken, hief hij het jaar daarop een entree van vijf gulden.
            Daarbij behoorden echter drie consumptiebonnen.
            Dat leverde uiteindelijk het nodige gedrang op bij de bierkranen.

            De enige plek op straat waar in die tijd massaal werd gezwierd, lag in de Maastrichter Brugstraat.
            Aan de gevel van de toentertijd daar gevestigde radio- en electrozaak Zeguers hingen elk jaar enkele luidsprekers waaruit continu carnavalsmuziek klonk.
            De jeugd vooral amuseerde zich op de kinderköpkes net zo goed als latere generaties in de disco!

            Revival
            Het Maastrichtse straatcarnaval heeft zijn 'revival' te danken aan de reeds in het voorgaande artikel gesignaleerde zaate herremeniekes die met groot en uitbundig gevolg kaffee-in en kaffee-oet plegen te trekken na eerst al in d'n optoch meer dan letterlijk de toon te hebben gezet.
            Het kakofonisch verschijnsel van de herremeniekes is ontstaan in de jaren zestig van de twintigste eeuw.
            In 1972 werd de zaate herremenie massaal bezongen in een gelijknamig carnavalsliedje op muziek en tekst van John Hoenen.
            Het staat nog steeds op het repertoire van de straatvierders.
            Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
            Thomas More

            Opmerking


            • #36
              Geschiedenis van de carnaval

              Wees zuinig op TRADITIES van waarde

              Zaate Herremenie 1959 was de eerste in zijn soort in Limburg.

              Oprichter John Hoenen (70) blikt terug op het fenomeen en op het belang van traditie.
              „Carnaval kent drie pijlers: de plaatselijke cultuur, het seizoen en de religieuze wortels.
              Worden die aangetast, dan is het zaak dat te signaleren.
              Traditie wordt niet vanzelf doorgegeven.”
              Goed, een halve eeuw is geen 5 x 11 jaar carnavalsjubileum, dat weten de mensen die ‘Zaate Herremenie 1959’ dinsdag 24 februari 2009 in het zonnetje zetten ook wel, zegt John Hoenen.
              „Maar over vijf jaar zijn een aantal van ons er misschien niet meer.
              Annie Baltussen loopt tegen de 80, ik ben 70 en we hebben meer leden die er al 40 jaar bij zijn.
              De Tempeleers hebben in 1996 ook hun 50-jarig bestaan gevierd, het is ergens toch wel wat.”
              John Hoenen is niet alleen oprichter van de oudste zate hermenie, hij tekende ook voor het Maastrichtse vastelaovendsleedsje De Zaate Hermenie uit 1972.
              Toen de Tempeleers een jaar later het eerste Zaat Hermeniekes Konkoer organiseerden nam het fenomeen een grote vlucht, weet Hoenen nog.
              Telde Maastricht er in die jaren misschien vijf, inmiddels zijn er zo’n honderd actief.
              Hoenen geldt sindsdien als ‘vader van de zate hermeniekes’.
              Als zodanig volgt deze ‘carnavaloog’, tevens musicoloog en schrijver, de ontwikkelingen nauwgezet.
              Want ja, hij mag dan in het dagelijkse leven eerder een vrijbuiter zijn, als het om vastelaovend gaat is Hoenen streng.
              Volgens sommigen - denk aan de discussie over sambabands - té streng.


              John Hoenen: "Vastelaovend heeft een pijler religie.
              Ook kennis daarover dient men door te geven"


              Zelf ziet hij dat anders: „Natuurlijk zullen er altijd modes en ontwikkelingen zijn, ook in carnaval.
              Een bepaalde decadentie is niet tegen te houden.
              Maar het gaat hier wel om de eigenheid van onze cultuur, van onze identiteit.
              De streekcultuur, het seizoen en religie-in-brede-zin zijn de drie pijlers waarop carnaval rust.
              Wordt daar van afgeweken, dan is het zaak dat te signaleren.
              Traditie wordt niet vanzelf doorgegeven.”
              Hermeniekes zijn een goede graadmeter voor hoe carnaval er voorstaat, gelooft Hoenen.
              Toch is er een tijd geweest dat ze nog niet bestonden.
              Hoe verliep bijvoorbeeld de grote optocht in de eerste naoorlogse jaren?



              Hoenen ziet het nog voor zich: voorop een accordeonist en een trommelaar, met een grote groep zingende mensen erachteraan.
              „Er liepen harmonieën en kapellen mee.
              Afgewisseld met karren en praalwagens, in die tijd ook van de watersportclub, de papierfabriek en andere bedrijven.
              Daar tussendoor een bonte verzameling mensen en groepjes die de boonte störm maakten.”
              „Nu heb je twintig prinsenwagens en is het meer een showgebeuren.
              Toen droegen de mensen meer maskers, er was meer sociale controle.
              Nu gaat het er om mooi te zijn.
              Toch zat mijn moeder indertijd al maanden tevoren achter de naaimachine.
              Ook toen al wilden de Maastrichtenaren mooi zijn.
              Langs de weg stond wel minder volk dan nu.
              Je ging niet eerst kijken, maar deed meteen mee.
              De optocht was het hoogtepunt.”
              Hoenen, in die tijd nog student trompet en dirigent, woonde in 1959 bij zijn moeder in de Platielstraat.
              Het was de tijd dat de straat werd afgesloten om ‘Petit Paris’ te spelen.


              Piele Hameleers

              Stadsfiguur Piele Hameleers woonde een deur verder.
              Om de hoek, in de Struys, kwamen hij en zijn vrienden al vroeg bij elkaar om te bedenken hoe ze in de boonte störm zouden duiken.
              „Ik kon anderen van instrumenten voorzien en leerde ze de eerste beginselen.
              Soms niet meer dan: hoempa hoempa.
              Ik schreef dan in schemaschrift welk ventiel te bespelen.
              André de Jong speelde saxofoon, ikzelf trompet.
              Wij waren de muzikale trekpaarden die de melodieën aangaven.
              Verder moest iemand de maat houden.
              De rest speelde er naar hartelust tegenin.”
              „De mensen zeiden al snel: dao kump de zaate herremenie.
              Dat hebben we erin gehouden.
              We speelden de Maastrichtse carnavalsliedjes van na 1946.
              De bedoeling was om jezelf én anderen te amuseren.
              Plezier was en is de drijfveer.
              De mensen liepen in drommen achter ons aan en zongen de liedjes mee; dát was toen carnaval.”
              De vriendenkring van Hoenen verplaatste zich in de jaren ’60 naar de Knijnspiep in de Muntstraat.
              Toon Hermans liep in die tijd ook vaak een dag mee.
              Inschrijving voor de grote optocht was meestal in een café van Willem Smeets, een legendarische Maastrichtse kastelein.
              „In die tijd ging je niet naar café ‘zus of zo’, maar naar de kastelein.
              Willem Smeets zat toen in wat nu Au Mouton Blanc heet.
              Zijn dochter Marjos liep op zeker moment bij ons voorop.
              Toen ze een relatie kreeg met D'n Ingel, liep die ook mee.”
              John Hoenen voelt zich een jazzjongen.
              De jongerencultuur van de jaren '60, tevens de oorsprong van de huidige ‘decibellenbeleving’, was niet echt zijn ding.
              Hoewel Zaate Herremenie 1959 in de loop der jaren veel vers bloed heeft gekregen, bezondigde men zich niet aan wegwerpnummers.
              Zeker in later jaren niet.
              Want rond 1970 begon het carnaval toch wat te haperen, zegt Hoenen.
              „Eigenlijk al iets eerder.
              Bedrijven als V&D wilden op carnavalsdinsdag open zijn.
              Wij gingen daar met de Zaate Herremenie de roltrap op.
              Dan zeiden we tegen die winkelmeisjes: Kom mèt!
              Dat is vaak gebeurd.
              Dan sloten ze de zaak alsnog.”


              Zaate Herremenie 1959 wordt carnavalsdinsdag geëerd in café Hallo Mestreeg van Sjarel en Roos aan de Grote Gracht.
              De festiviteiten beginnen al ’s morgens, want aansluitend gaan ze naar ’t Zaat Hermeniekes Konkoer op het Vrijthof.


              In 1969 had Zaate Herremenie 1959 al gezelschap gekregen van Laat en Zaat.
              Daar kwam al snel tegenhanger Vreug en Neugter bij.
              De zaate hermeniekes betekenden de redding van het echte Maastrichtse carnaval, gelooft ook Hoenen.
              „Sowieso bestond in de jaren ‘70 het gevoel dat we carnaval en de volkscultuur moesten beschermen tegen Hollandse liedjes als worstjes-op-mijn-borstjes.
              Buiten dat: probeer je eens carnaval zónder zate hermenieje voor te stellen.
              Wat zouden al die grote en kleine ceremonies zijn zonder hén?”
              John Hoenen vindt niettemin dat de Tempeleers het kiezen van het vastelaovendsleedsje nooit uit handen hadden moeten geven.
              „Zo’n liedje hoort eigenlijk te refereren aan de actualiteit van het afgelopen jaar.
              Zo zijn er meer haarscheurtjes: steeds vroeger beginnen, is ook zoiets.
              In combinatie met de ‘cultuur van het ik’ en ‘alles moet kunnen’ is dat reden om waakzaam te blijven.
              Carnaval gaat om sfeer, stemming, traditie, saamhorigheid en volkscultuur.
              Je moet de waarde daarvan inzien om grenzen te kunnen en wilen stellen.”
              Toch moeten we niet denken dat hij een oude zuurpruim is.
              „Ik ben blij dat het carnaval hier over het geheel genomen redelijk puur is gebleven.
              De macht van de traditie is toch vrij sterk.
              Belangrijker nog is de grote liefde in Maastricht voor het carnavalsfeest.
              Laten we die doorgeven.”
              Zaate Herremenie 1959 wordt dinsdagmorgen geëerd in café Hallo Mestreeg van Sjarel en Roos aan de Grote Gracht.
              's Middags jureert John Hoenen het Zaate Hermeniekes Konkoer.

              © door Siebrand Vos
              21-02-2009
              gazet De Limburger
              Last edited by SJEF †; 21 februari 2009, 15:46.
              Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
              Thomas More

              Opmerking


              • #37
                Wat een geweldig prestatie om al die kennis over Maastrichts carneval bij elkaar te brengen! Ik heb nog niet alles gelezen maar al meer dan de helft.

                Nou ben ik wel geboren in Maastricht, maar krijg niet de neiging om carneval zelf te vieren. Daarentegen boeit me het verschijnsel carneval mateloos en probeer ik zo veel mogelijk over te weten te komen. Vroeger ging ik vaak kijken naar de grote optocht, als kind natuurlijk ook verkleed. Later steeds minder, omdat je uren moest staan, eer de optocht voorbij was getrokken. En als je niet zolang kan staan zoals ik, is dat heel vermoeiend.

                Ondanks dat ik het zelf carneval vieren niet in me heb (als je eerst alcohol op moet hebben, om in de stemming te komen, hoeft het voor niet meer!), wordt ik stilletje toch meegesleurd als ik bonte störm zie. Dat is voor mij echt mestreechs carneval, daar geniet ik van. Ik hou niet van het georganiseerde (zoals prachtige uitgedostte groepen als segura), maar eerder van prettige chaos. Ook de zaate hermeniekes vind ik fantastisch en verbaas me eerder keer weer over de vindingrijkheid bij het verzinnen van namen!
                Zoals "Klop dich un eike" "Hermenoetsmie" "Vreug en Nuchter" etc
                Wat ik zo prachtig vind aan het ouderwetste staatcarneval, is juist de grote nonsens, zoals verkleders die een strijkijzer aan een touwtje voorttrekken of een plastic hondje op wieltjes. En het masker waar de mestrechteneer even zijn ware aard kan verbergen en doen alsof hij iemand anders is, omdat hij toch niet herkent wordt (dat hoopt ie
                dan!).
                Die opstandigheid van de maastrichtenaar heeft altijd in de volksgeest gezeten. Als Maastricht weer eens een keertje ingenomen dreigde te worden, de machteloze burgers zich tot het uiterste verzetten en pas zwichten als er dreigde te worden geschoten. Dat zet zich op een ludieke manier voort in het carnavalsfeest. Dat zal hier ook wel staan, dat de katholieke kerk het in zijn botte hersens gekregen had om carneval rond de eeuwwisseling te willen verbieden! Daar kregen ze natuurlijk nul op het request bij de maastrichtenaar, dat spreekt vanzelf!

                Opmerking


                • #38
                  Carnavalsoptocht 1951-1954/President Roberts

                  Boekauteur zoekt mensen die foto's of krantenknipsels hebben van de carnavalsoptocht in Maastricht in de periode 1951-1954, waarbij een van de deelnemende wagens een groot wit stoomjacht uitbeeldt, de President Roberts. Tel. 06-11243147.

                  Opmerking


                  • #39
                    Geschiedenis van de carnaval

                    Vers van de pers: een nieuwe archiefsprokkel van het RHCL (Regionaal Historisch Centrum Limburg) met de titel: Carnaval is puur Mestreechs volksfeest.
                    Geschreven en samengesteld door: Koos Bahlmann.

                    Download en lees het PDF bestand.

                    http://www.rhcl.nl/data/files/algeme...volksfeest.pdf .
                    Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
                    Thomas More

                    Opmerking


                    • #40
                      'Koos Bahlmann' is mij bekend als het pseudoniem van een oud-collega, een vakhistoricus dus.

                      Opmerking


                      • #41
                        Ik probeer visueel 100 jaar Carnaval in Maastricht te reconstrueren, vooral met krantenberichten. Dat valt nog niet mee. Het eerste deel gaat over de jaren 1914 t/m 1964, dus incl. WO I en II.
                        Uiteindelijk toch een beeld van hoe het zo'n beetje verlopen is. Het op HD en full screen. Toepasselijk muziekje zit erbij. Veel plezier.


                        https://www.youtube.com/watch?v=5bTPmlYx77k


                        Last edited by brour00; 31 december 2014, 11:14.

                        Opmerking


                        • #42
                          Daanke Brour00, kin 't zien dat iech höb zien langskoume op FB ? Sjoen stökske huisvlijt, iech zal de link (es 't maag) gebruke veur mien site www.mestreechtersteerke?
                          MestreechterSteerke gief um Mestreech.

                          Opmerking


                          • #43
                            Geere gedaon. Inderdaad nogal 't get eurkes huisvlijt. Gebruke maag zeker op Mestreechtersteerke.

                            Opmerking

                            Bezig...
                            X