Convenant. Afspraken tussen Burgemeester & Wethouders en Buurtkader. In dit convenant worden afspraken gemaakt tussen het College van Burgemeester en Wethouders (voortaan te noemen ‘College’), namens deze de wethouder, die verantwoordelijk is voor het Buurtgericht Werken, en de voorzitters van de Maastrichtse Buurtplatforms en -raden (voortaan te noemen ‘buurtplatforms’), namens het buurtkader, dat zich in de Maastrichtse buurten inzet voor de leefbaarheid van die buurten. In dit convenant worden de relatie tussen en de taken van het Maastrichtse buurtkader en de gemeente beschreven. Deze relatie tussen kader en gemeente is de laatste jaren stevig in beweging. Die beweging heeft alles te maken met de wijze waarop de gemeente participatie invult. Participatie wordt in de Participatieintentie van de gemeente Maastricht in 2001 beschreven “als een vorm van gedeelde verantwoordelijkheid, het door de gemeente gezamenlijk met actieve burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties ontwikkelen van gemeentelijk beleid en -plannen (ook wel inter-actieve beleidsvorming genoemd), alsmede het gezamenlijk gestalte geven aan uitvoering en beheer van bepaalde voorzieningen.” Participatie vindt het College belangrijk. Hierdoor groeit de invloed van de burger. Participatie is gestoeld op samenwerking en samenspraak met buurtkaders. Zowel op ambtelijk als op bestuurlijk niveau. Directe en korte lijnen op met name ambtelijk niveau zijn van wezenlijk belang in de communicatie en scheppen duidelijkheid in de relatie met buurtkaders. Participatie is een voortdurend proces. Op buurtniveau hebben burgers zich veelal georganiseerd. Het bestaan van dat georganiseerd buurtkader vergemakkelijkt de participatie van en in de buurten. In dit convenant wordt de relatie, dus zogezegd de samenwerking en de samenspraak, tussen gemeente en buurtkaders in spelregels beschreven. Deze spelregels scheppen enerzijds duidelijkheid in de omgang met en de verwachtingen naar elkaar in het spanningsveld waar gemeente, buurtkader en buurt elkaar treffen. Anderzijds zijn deze regels dusdanig beschreven dat zij ruimte creëren ten behoeve van het buurtkader, vanwege de diversiteit die er in de organisatie van het kader bestaat. Deze spelregels komen niet in de plaats van de formele verantwoordelijkheid en de formele afspraken die in het democratische bestel gelden. Dat betekent dus, dat buurtplatforms niet treden in de formele verantwoordelijkheid van de gemeente richting burger en dat buurtplatforms niet treden in de rechten van de burger in de richting van de gemeente. Algemeen 1. Als aanvulling op het formele locale democratische bestel erkent en waardeert het College het bestaan van organisaties die zich op het niveau van de buurten inzetten voor de leefbaarheid in die buurten. Die organisaties noemen zich veelal buurtplatform. 2. De buurtplatforms worden beschouwd als gesprekspartner in eerste instantie, als buurtdeskundige, als klankbord om ideeën e.d. te toetsen. Voorts hebben buurtplatforms een belangrijke signaalfunctie. De taken van college en buurtkaders worden nader beschreven onder 9. 3. Zowel college als buurtplatforms realiseren zich, dat de rol van de buurtplatforms afhankelijk is van de wijze waarop het buurtplatform zijn rol kan en wil vervullen en zijn taken invult. Afhankelijk van de situatie waarin het buurtplatform opereert kent het zijn mogelijkheden en zijn beperkingen. Op basis daarvan worden in goed overleg afspraken gemaakt over het al dan niet betrekken van de buurt of delen van die buurt en de wijze waarop dat plaatsvindt. Ter verduidelijking wordt verwezen naar het schema in de reeds eerder genoemde Participatie-intentie van 2001 waarin veel voorkomende participatievormen gerelateerd worden aan het schaalniveau en veel voorkomende onderwerpen. Verantwoordelijkheden 4. Van het college en de buurtplatforms wordt verwacht, dat zij transparant hun werk verrichten en dat zij hierover communiceren met hun achterban. 5. De buurtplatforms kunnen recht doen gelden op de in Maastricht geldende verordeningen en afspraken met betrekking tot inspraak en participatie: • Participatie-intentie Maastricht 2001 • Inspraakverordening Maastricht 2004 • Participatie en inspraak bij ruimtelijke plannen en besluiten 2007 6. Erkende buurtplatforms kunnen recht doen gelden op financiële ondersteuning. Hierop is van toepassing de “verordening Geld voor de Buurten 2007”. Indien een buurtplatform dit recht doet gelden is het buurtplatform gehouden aan de regels zoals deze in de “verordening Geld voor de Buurten” genoemd zijn. 7. De buurtplatforms zijn, behoudens datgene dat genoemd wordt onder 6, vrij om de eigen organisatie in de buurt vorm te geven en zijn zelf verantwoordelijk voor die organisatie. Taken 8. Het college heeft tot taak • te besluiten • te informeren, • te ontwikkelen, • te signaleren, • te adviseren, • te initiëren, • te intermediëren, • inspraak en participatie te organiseren conform de door de gemeente raad daartoe gedane besluiten • te faciliteren volgens de regels van dit convenant. 9. De taken van de buurtplatforms kunnen afhankelijk van de situatie in meer of mindere mate worden vervuld en hebben te maken met • signaleren, • adviseren, • informeren, • doorgeleiden van informatie, • organiseren van betrokkenheid in de buurt, • initiëren van activiteiten, • financieren van activiteiten of onderdelen van de buurtorganisatie middels verkregen buurtbudget, • faciliteren van het participatieproces in de buurt, • ontwikkelen, • participeren en inspreken, • intermediëren. Ondersteuning 10. Het buurtplatform heeft recht op ondersteuning. De ondersteuning wordt verleend door de Stichting Trajekt en/of door het Bureau Buurtgericht Werken. Uitgangspunt hierbij is dat buurtplatforms zelfredzaam zijn. De soort en mate van de ondersteuning is afhankelijk van de aard van de ervaren problemen en de mate van zelfredzaamheid van het buurtkader. 11. Ondersteuning kan geleverd worden m.b.t. • de financiën • de organisatorische ondersteuning door het opbouwwerk • het verzekeren • de boekhouding • training • het toegankelijk verstrekken van informatie.