Aankondiging

Sluiten
No announcement yet.

De familie Seydlitz in Maastricht: ondernemers en bankiers.

Sluiten
X
  • Filter
  • Tijd
  • Tonen
Clear All
nieuwe berichten

  • #16
    Oorspronkelijk geplaatst door Ingrid M.H. Evers Bekijk bericht
    Ik ben genealogisch niet zo sterk, Boed. 'NA' is waarschijnlijk 'Nederlands Adelsboek'. Betekent 'P' 'Nederlands Patriciaat'? Hoe moet ik een notitie als 'P68, 125 Dutilh' lezen?
    Sorry Ingrid, deze vraag van je zie ik echt nu pas. P69, 125 moet je lezen als jaargang 68 pagina 125.
    Het vervelende van het adelsboek is dat de oudere generaties in de regel niet uitgewerkt zijn. Hierdoor ontbreken in het prijzenswaardige repertorium van H en H alle allianties van de oude adel uit de tijd waarin de genealogie niet uitgewerkt is, maar alleen als stamlijst in het Rode Boekje opgenomen is.
    Boed

    Opmerking


    • #17
      Huis Seydlitz Brusselsestraat anno 2014

      De leefs mer eine kier .

      Opmerking


      • #18
        Tijdens het snuffelen op www.delpher.nl kwam ik een artikel tegen waarbij T. Seijdlitz en M. Bonhomme koning Willem II verwelkomden op 28 juli 1841 in hun stoomboot.
        Kompleminte

        Toller

        Opmerking


        • #19
          Engels klipzout voor Maastrichtse zoutziederij
          Piet H.L. Bovy

          In een vorige M.O. posting van 29 Augustus 2014 over de Maastrichtse zoutzieder Hubert Seydlitz heb ik de vraag opgeworpen, waar de grondstof voor de zoutraffinage, het ruwe zout, vandaan kwam. Daarop kwamen enkele reacties (Posting Zout uit de bergen (1) en (2)) waarin met verwijzing naar een gemeenteverslag en het boek van Roemen (Noord)Frankrijk en Duitsland (Westfalen) als herkomstgebieden werden genoemd. De precieze bronnen voor deze gebieden blijven helaas in het duister en ook of dat wel gold voor het midden van de 19-de eeuw toen Seydlitz in Maastricht actief was.

          Onlangs heb ik daarentegen heel concrete bronnen gevonden, die duidelijk maken dat rond 1850 de zoutzieder Seydlitz voor zijn bedrijf zogenaamd klipzout uit Engeland liet komen.

          Klipzout, rotszout, is hard steenzout. Het is geschikt om er mooi wit geraffineerd zout van te produceren. Het werd o.a. in Noord-Engeland gedolven, waar het miljoenen jaren eerder in de late Permtijd door verdamping van de zg. Zechstein-zee (die zich uitstrekte over Noord-Europa en een zoutgehalte had vergelijkbaar met de huidige dode zee) is ontstaan.

          In de 19-de eeuw publiceerden de dagkranten, met name die van de grote Nederlandse havensteden, uitvoerig scheepsberichten: waar bepaalde schepen zich in de wereld onderweg bevonden en welke schepen een Nederlandse haven waren binnen gelopen. Telegraaf en telefoon waren nog niet uitgevonden en belanghebbenden aan de scheepvaart (schip of lading) hielden zich met de kranten op de hoogte.

          Tot de dagelijkse scheepsberichten in die tijd behoorden de zg Carga-lijsten. Deze meldden welke schepen net waren binnengelopen en welke lading ze aan boord hadden. De lijsten waren gesorteerd naar aankomsthaven (Amsterdam, Rotterdam, Dordrecht, etc) en daarbinnen naar herkomsthaven (Newcastle, New York, Liverpool etc). Onderstaande drie voorbeelden, letterlijk geciteerd uit de Nieuw Rotterdamsche Courant, betreffen aanlandingen in Rotterdam en illustreren welke informatie uit de Cargalijsten te halen valt.

          1.Carga-Lijsten ROTTERDAM.. Bron: NRC 15.05.1850.

          LIVERPOOL, Henry, Robert High: 173 zakken Divi Divi, C. L Ringrose en Co ; 25 vtj. Chemicaliën , Kreglinger en Co ; 100 z. Soda, M. Retemeyer en Co.; eene partij Amarilsteen , F. Carp; 41 b. Katoen, C. Hemman en Co; 79 ton ruw Klipzout, H. Seydlitz, te Maastricht .
          2.Carga-Lijsten ROTTERDAM.. Bron: NRC 17.07.1850

          LIVERPOOL, GOOD DESIGN, Benjamin Brereton: 70 bn. Katoen, C. Hemmannen Co.; 58 bu. Koffij, Eckslein, van de Velde en Koch; 47 bn. Katoen, S. A. Le Vino en Co.; 11 vn. Palmolie, F. W. C. Blom; 131 blokk. Hout, Reinhold, Calm en Co.; 110 ton Klipzout, H. Seydlitz te Maastricht. WERDER, Anna Maria, __. P. __. Muntendam: 2280 tscheiw. Gerst, Duys en Zuurhorst.

          3.Carga-Lijsten ROTTERDAM.. Bron: NRC 19.09.1855

          NEW-TORK, Caroline, V. de Best: 100 vtjs. Terpentijn, 200 k. Extract van Hout, B. A. Mispelblom & Co.; 60 vtjs. Terpentyn, 298 vtjs. Harst, Oudshoorn kv. d. Held; 1 ktj. Monsters, J. A. J. Nolett; 2000 vtjs. Harst, 6000 Duigen, 130 t. Verwbout, Geb. Nottebohm; 561 vtjs. Harst, lOOkstj. Extract van Verwbout, C. Hemmann k Co ; 11 v. Honig, A. Ellerman; 166 v. Harst, A. X. Söliing & Co.; 827 v. Harst,Koch k Vlierboom ; 28 vtjs. Potasch, J. C Brandt & Zoon; 753 st. Dekplanken.W. Ruys J.D.Zn.; 2 vtjs. Koper, 91 vtjs. Terpentijn, 40 vtjs Potasch , 261 vtjs. Harst, 3600 Pijpduige'n, 19 k. Diverse Elastieke Goederen, Order. LIVERPOOL, Jane Heward, S. Payne : 261 t. Zout, H. Seydlitz; 28 k. Arab. Gom, 40 b. Katoen, 8 v. Soda, Order.

          Het eerste voorbeeld betreft het schip ‘Henry’ van reder ‘Robert High’ vertrokken uit Liverpool, aangekomen in Rotterdam op 14 mei 1850. Dan volgen achtereenvolgens de geladen goederen met hoeveelheden en de respectievelijke geadresseerden voor deze goederen. Zo zijn o.a. 41 balen katoen aan boord voor de firma C.Hemman en Co. Ook heeft de ‘Henry’ 79 ton ruw klipzout voor H. Seydlitz te Maastricht geladen.

          Op 17 juni 1850 loopt het schip GOOD DESIGN van Benjamin Brereton in Rotterdam binnen met onder meer 110 ton Klipzout voor H.Seydlitz te Maastricht.

          Op 19 september 1855 verschijnt in de NRC de melding in de Cargalijst voor Rotterdam, dat uit Liverpool de Jane Heward van S.Payne is binnengelopen met aan boord 261 ton zout voor H.Seydlitz.

          Niet elke melding in de cargalijsten is compleet: soms ontbreken hoeveelheidsgegevens, of het soort produkt (zout ipv klipzout) of de ontvanger van de lading. We mogen er dan ook vanuit gaan dat Seydlitz vaker klipzout uit Engeland liet aanvoeren. Een aanwijzing daarvoor is een melding in het Algemeen Handelsblad van 8 augustus 1839 dat in Grave aan de Maas een schip met ruw zout ter inklaring ligt “bestemd voor de groote zoutziederij van den Heer Seydlitz alhier (gemeend is Venlo)”.

          Het feit dat hij klipzout als grondstof gebruikte, wijst erop dat Seydlitz hoogwaardig consumptiezout produceerde. Een belangrijke afnemer hiervan was de regering van de Pruissische Rheinprovinz in Düsseldorf, die via de Keulse handelsonderneming Seydlitz & Merkens (in 1808 opgezet door Huberts grootvader Jacob Seydlitz) tot in de 1860-er jaren zout uit Venlo en Maastricht inkocht.
          Seydlitz was in Nederland geen uitzondering met belevering door Engels zout. De Westnederlandse zoutziederijen voerden het ruwe zout aan vanuit Portugal en Frankrijk maar vooral uit Engeland (Filarski, p. 194).

          Uit de Cargalijsten van Amsterdam en Rotterdam valt op te maken dat in de periode 1840-1870 Nederland “overspoeld” werd met engels klipzout, vrijwel alles door Engelse schepen aangevoerd. Dit was een gevolg van Nederlands beleid dat, nadat de Engelsen Napoleon hadden verslagen en met de Russen Nederland van Napoleon hadden bevrijd, overging tot drastische verlaging van de belasting op geimporteerd engels zout. Daarvoor was dat zout vanwege het Continentaal Stelsel extreem zwaar belast geweest. Het verklaart mede waarom het in Venlo en Maastricht geproduceerde zout zo aantrekkelijk voor Pruissen was. De firma Seydlitz & Merkens was bij alle aanbestedingen van de Pruissische Rheinprovinz steeds de laagste bieder en was daardoor tot een soort monopolistische “hofleverancier“ aldaar van zout geworden.

          In de late 1840-er jaren deed de Nederlandse regering pogingen het belastingregime t.a.v. zout te veranderen met een wetsontwerp getiteld “Tot verbetering van den accijns op het zout” (de ‘verbetering’ gold die voor de schatkist), wat begrijpelijkerwijs tot grote protesten van de Nederlandse zoutzieders leidde. In de parlementaire verslaglegging van de beraadslagingen over dat wetsvoorstel blijkt de Maastrichtse-Venlose zoutzieder Seydlitz daarbij een grote rol te spelen die meermaals met beachtenswaardige bezwaarschriften en adressen (bv Ned. Staatscourant van 28.11.1844) aan de regering, wetswijzigingen tracht te bewerkstelligen. Hem is duidelijk dat zijn voordelige positie voor uitvoer naar Pruissen gevaar loopt. De stem van Seydlitz had gewicht in Den Haag. Ook bepleitte hij daar eerder (21.03.1844) samen met Burgemeester W. Clermont het belang van nieuwe verkeersinfrastructuur in Limburg (bv spoorlijn Aken-Maastricht) om de nadelige geografische positie van het nieuwe hertogdom, ontstaan door de met het verdrag van Londen bezegelde splitsing der vroegere provincie Limburg, te verbeteren.

          Het in Rotterdam binnengekomen klipzout voor Maastricht werd overgeslagen in kleinere binnenschepen die geen moeite hadden de moeilijk bevaarbare Maas op te “stomen”, in figuurlijke zin dan, want in de 1850-er jaren voeren er (met uitzondering van de Rijn) nog geen stoomvrachtschepen maar nog steeds zeilschepen of trekschuiten, meestal met paardentractie. De Rotterdamsche krant echter, waarin het nieuws van de zoutlevering aan Maastricht stond vermeld, bereikte Seydlitz binnen enkele dagen per postkoets of per personenstoomboot.

          Bronnen:

          R.Filarski “Kanalen van de Koning-koopman: Goederenvervoer, binnenscheepvaart en kanalenbouw in Nederland en België in de eerste helft van de negentiende eeuw”. Proefschrift, NEHA Series III, 1995, ISBN 90.71617.89.0
          Krantenknipsels via DELPHER.
          De leefs mer eine kier .

          Opmerking


          • #20
            Wat een prachtige aanvulling op dit draadje, mijnheer Bovy! Die firma Seidlitz wordt steeds interessanter!

            Aan de cargo-lijsten op Delpher heb ik eerder weinig aandacht geschonken, de passagierslijsten uitgezonderd. Het is duidelijk dat deze 'saaie' opsommingen veel meer informatie bieden dan op het eerste gezicht lijkt. Voor de weinig onderzochte handelsgeschiedenis van Maastricht in de negentiende eeuw is dit een mooie, aanvullende bron.

            Opmerking


            • #21
              Piet Bovy, juni 2015. Mr. Hendrik Frans Seydlitz, le Député.


              Een in het Frans gesteld overlijdensbericht in een Nederlands dagblad, ook al hebben we het jaar 1911, is toch iets bijzonders, vooral als het ook nog om een overlijden in de Duitse plaats Ahrweiler gaat. Zo een bericht (NRC, 13.05.1911) maakt nieuwsgierig, ook al is de overledene geen onbekende.



              Het gaat om Mr. Hendrik Frans Karel Emilius Seydlitz (1828-1911), met name bekend als gedeputeerde van de provincie Limburg in de tweede helft van de 19-de eeuw. Deze Hendrik Seydlitz, in geschriften soms ook Henri of Heinrich genoemd, is reeds in een vorige posting van M.O. (29.08.2014) kort ter sprake gekomen, en wel als oudste zoon van de Maastrichtse zoutzieder en transportondernemer Hubert Seydlitz. Huberts merites voor Limburg en Maastricht behoeven geen herhaling, maar de aankondiging in die eerdere posting dat de (klein)zonen van deze Hubert in Maastricht eveneens hun sporen hebben achtergelaten vraagt om nader te worden uitgediept. In deze posting beperken we ons tot zoon Mr. Hendrik en bewaren portretten van diens zonen Mr. Paulus Josef (1857-1929) en Ir. Herman Josef Seydlitz (1860-1938 ) voor de toekomst.

              De gedeputeerde Mr. Hendrik heeft in de 1860-er jaren veel stof doen opwaaien door zijn wisselvallig gedrag ten aanzien van de (on)afhankelijkheid van Limburg. Ik citeer hierover uit een anonym schotschrift (1) gericht tegen de toenmalige gouverneur van der Does de Willebois. “Bij de opening der zomervergadering van de Provinciale Staten (....) kwam de heer Seydlitz, de eenige man in geheel Limburg, die luide en herhaaldelijk sympathien had aan den dag gelegd om bij Duitschland te worden geannexeerd, vooral in de maand Mei 1867, gedurende de Luxemburgsche kwestie, met een voorstel voor den dag, strekkende tot benoeming eener commissie uit de Staten, belast met de overbrenging van Limburgs dank aan den Koning voor de losmaking van Limburg van den Duitschen Bond”. Vooraf gaande aan dit voorstel had Seydlitz echter in mei 1867 in een vergadering van Gedeputeerde Staten het voorstel gedaan, om het initiatief te nemen van een algemeen petitionnement, ten behoeve der afscheiding van Limburg van Nederland, en de aanhechting aan Pruissen of de (Duitse) Noorder Bond. Hij leed daarmee echter een smadelijke nederlaag. De anonieme auteur van het schotschrift wijst in dit verband vergoelijkend op de (nog) jeugdige heer Seydlitz, 39 jaar oud en net pas twee jaar gedeputeerde. Vreemd genoeg nog in dezelfde maand Mei wordt Seydlitz door de Koning in den Haag, bij deze met genoemde commissie op bezoek, gedecoreerd en benoemd tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw. Voor de staatkundig-politieke achtergronden van de zg Luxemburgsche kwestie (ook wel Limburgse kwestie genoemd) verwijs ik naar de literatuur, bv. Ubachs (2).

              De loopbaan van Mr Hendrik in het provinciaal bestuur begint met zijn verkiezing op 03.07.1860, op 32-jarige leeftijd, als lid Provinciale Staten voor het kiesdistrict Maastricht. (Het Hertogdom Limburg kende toen 6 kiesdistricten met elk 3 vertegenwoordigers in de Provinciale Staten). Om de vijf jaar (zittingsduur) wordt hij steeds herkozen tot hij zich op 02.07.1895 om gezondheidsredenen niet meer verkiesbaar stelt.

              Al aan het begin van zijn tweede zittingsperiode als Statenlid (mei 1865) wordt hij, 37 jaar oud, gekozen in het 3-hoofdige college van Gedeputeerde Staten. Ook deze functie van gedeputeerde vervult hij zonder onderbreking tot 1895. In die hoedanigheid had hij contacten met belangrijke gangmakers van de industrialisatie in Limburg zoals de gebroeders Eugène en Louis Regout, collega´s in Provinciale Staten. Hendrik neemt zelf deel, ook risicodragend, in de oprichting van diverse Maastrichtse ondernemingen zoals de Zinkwit en NV KNP. In 1875 was hij 1e administrateur van de in dat jaar in Maastricht opgerichte NV Nederlandsche Papierfabriek als opvolger van de papierfabriek L’Hoest uit 1850. Hij was een van de ontwerpers van de statuten van de nieuwe NV KNP. Een aardige anekdote wordt gegeven in het jubileumboek bij het honderdjarig bestaan van de KNP: Op 21 augustus 1890 kreeg Henri Seydlitz de opdracht naar de openbare veiling te gaan en daar voor de KNP de papierfabriek Weert aan te kopen. Pierre Regout II (1828-1897) verzette zich hevig tegen deze aankoop omdat er heel veel geld in deze papierfabriek zou moeten worden geinvesteerd. Het op FL 65.000 gelimiteerde bedrag kreeg Seydlitz mee voor de aankoop. De aankoop lukte niet. In 1895 nam Henri Seydlitz om gezondheidsredenen ontslag, zijn opvolger was Pierre Regout II. Bij overlijden van bedrijfsstichter Leon L’Hoest op 3 april 1893 was Hendrik Seydlitz een van de slippedragers en was een van degenen doe een grafrede hielden.

              Bij de Maastrichtse Zinkwit Maatschappij, gesticht in 1870 te Eijsden, waren vader Mr. Hendrik en later diens zoon Ir. Herman Seydlitz (1860-1938 ) beiden nauw betrokken (3). Samen met burgemeester H. Pijls investeerde Hendrik Seydlitz destijds Fl.31.250 in het maatschappelijk kapitaal (Fl. 150.000) van de in 1879 opgerichte NV Nederlandsche Zinkwit Maatschappij te Maastricht, de overige investeerders waren de Belgische ondernemers G.Rocour en J.F.Pisart. Deze onderneming kreeg met de oprichting van de NV Zinkmaatschappij Limburg op 21 december 1893 een vervolg, waarin weer Hendrik Seydlitz participeerde samen met de heren G.Rocour en Ir.A.Degive. Vanaf 1895 is het dan Herman Seydlitz die het bij de Zinkwit van zijn vader als aandeelhouder en commissaris overneemt.

              Net als zijn vader Hubert Seydlitz (Spoorweg Aken-Maastricht) engageerde Hendrik zich eveneens in de transportsector: op 22 mei 1891 participeert hij risicodragend in de oprichting te Maastricht van de NV Nederlandsche Zuider-Spoorwegmaatschappij (de kolenlijn Sittard-Heerlen-Herzogenrath) en wordt daarvan een van de commissarissen samen met andere notabelen uit Maastricht. De lijn gaat 1896 in bedrijf.

              Hoe verliep de aanloop naar deze carrière?

              Hendrik Frans Karel Emilius werd op 18.01.1828 te Venlo geboren als oudse zoon van Hubert Seydlitz en Jeannette Merkens. Hij is vernoemd naar de beide grootvaders: Heinrich Merkens en Franz Seydlitz. Zijn ouders stammen uit Keulen. Is deze achtergrond wellicht een verklaring voor Hendriks latere sympathieen voor aansluiting van Limburg bij de oosterburen? Vader Hubert heeft in Venlo enkele zoutziederijen gesticht. In 1829 verhuist het gezin naar Maastricht om daar de zoutziederij van Strengnart aan de Brusselsestraat over te nemen. Hendrik groeit daar op en blijft zijn hele leven op de Brusselsestraat in het statige pand, genoemd Maison de Seydlitz wonen en heeft daar later zijn advokatenpraktijk. Hij bezoekt (ca. 1840-1846) het Koninklijk Atheneum aan de Helmstraat, waarvan hij later curator wordt. Na een rechtenstudie studeert hij op 30.06.1849 te Leiden af als Mr. in de rechten (Privaatrecht). Als jong jurist is hij aktief als advokaat aan het provinciaal gerechtshof, is curator van faillissementen en onbeheerde nalatenschappen, is plaatsvervangend kantonrechter te Maastricht. In die periode is hij ook lid van de gemeenteraad van Maastricht (1861-1862) en vervult vaker de rol van schoolopziener (o.a. 1862 en 1888 ) voor het 2e district van Limburg.

              Op 14.02.1854 huwelijk met Maria Seeger (1833-1901), dochter van de Maastrichtse arts François Antoine Seeger en Charlotte Lamberts. Op dezelfde dag huwen Hendriks zus Henrietta en Maria’s broer Charles Seeger. Het echtpaar Hendrik Seydlitz - Maria Seeger heeft 3 dochters en twee zonen. De zonen Paulus Josef (1857-1929) en Herman Josef (1860-1938 ) zullen later in Maastricht eveneens van zich doen spreken. Het feit dat in drie opeenvolgende generaties Seydlitz (Hubert, Hendrik en Herman) de eerste initiaal een H is bemoeilijkt in geschriften soms een eenduidige persoonstoe-wijzing. Zo nam ik in een eerder artikel in MO (van 29.08.2014) abusievelijk aan dat Mr. Hendrik van 1861 tot 1893 lid van de Maastrichtse gemeenteraad was. In feite was hij van 1861-1862 gemeenteraadslid en zijn zoon Herman van 1892-1893.

              Door een bijzonder kenmerk van de Nederlandse kieswetten van de tweede helft van de 19e eeuw bevinden we ons in de gelukkige omstandigheid, vrij veel te weten over de materiele welvaart van Mr.Hendrik Seydlitz. Hij behoorde namelijk tot de selecte groep van zog. hoogstaangeslagenen in de provincie Limburg en was daardoor verkiesbaar voor de Eerste Kamer. De samenstelling van de Eerste Kamer van de Staten Generaal (39 zetels) kwam ook destijd via getrapte verkiezingen tot stand. Provinciale Staten kozen hun provinciale vertegenwoordigers voor de Eerste Kamer (voor Limburg destijds drie zetels) uit een beperkte groep verkiesbare mannen en wel alleen uit degenen met de hoogste welvaart, uitgedrukt in de hoogte van betaalde directe belastingen (de som van grondbelasting, personele belasting en patentbelasting). Volgens de kieswet had Limburg voor deze drie plaatsen slechts recht op een lijst van ca. 70 verkiesbare mannen (is later opgetrokken naar ca. 160). Deze groep van 70 werd gerecruteerd uit in Limburg wonende mannen, ouder dan 30 jaar, met een afdracht aan directe belastingen in het jaar voorafgaand aan de verkiezingen die hoger was dan de 71-ste op de ranglijst van belastingbetalers in de provincie. Gedeputeerde Staten had de opdracht één jaar voor de verkiezingen de lijst van verkiesbare mannen voor de Eerste Kamer samen te stellen en te publiceren in de Staatscourant en een provinciaal dagblad. Gegeven de zittingsduur van tien jaar werd deze lijst om de tien jaar geactualiseerd. Publicatie hield in dat van elke kandidaat zijn directe belasting betaald in elke Limburgse gemeente aangegeven werd. In de periode van 1970 tot 1990, behoorde Hendrik Seydlitz steeds tot de verkiesbare mannen. Met zijn betaalde directe belastingen lag hij in Limburg onder de verkiesbare mannen in de middenmoot, met rangcijfer rond de dertig (van de zeventig). Hij werd echter niet voor de Eerste Kamer gekozen. In de betreffende periode waren Burgemeester Pijls en twee Regouts de Maastrichtse Eerste Kamerleden.

              Mr. Hendrik
              Seydlitz
              Grondpercelen
              in
              Grond-belasting Personele
              belasting
              Patent-belasting Totaal
              1870 1 Gulpen 19,29
              2 Maastricht 178,04 162,68 170,11 510,83
              3 Margraten 36,99
              4 Wylre 45,30
              5 Wittem 0,71
              Totaal 280,33 162,68 170,11 613,12
              1880
              1 Beek 45,55
              2 Berg&Terblijt 3,10
              3 Gulpen 62,15
              4 Heer 2,48
              5 Maastricht 53,60 153,33 21,76 228,69
              6 Margraten 171,00
              7 Wylre 57,43
              8 Wittem 1,30
              Totaal 396,61 153,33 21,76 571,70
              1890
              1 Beek 35,14
              2 Berg&Terblijt 3,13
              3 Gulpen 45,56
              4 Heer 3,70
              5 Hulsberg 1,63
              6 Klimmen 14,38
              7 Maastricht 53,71 168,93 323,93 546,57
              8 Margraten 197,15
              9 Oud-Vroenhoven 14,02
              10 St.Pieter 40,33
              11 Wylre 60,22
              12 Wittem 1,30
              Totaal 470,27 168,93 323,93 963,13

              Gezien de hoge waarde van dit soort belastinggegevens voor geschiedkundig onderzoek laat ik in bijgaande tabel als voorbeeld de belastingafdrachten van Mr. Hendrik Seydlitz in Limburg zien voor de peiljaren 1870, 1880 en 1890. Het voert te ver deze cijfers in detail na te lopen, maar een enkele steekproef waag ik. Uit de cijfers voor de personele en patentbelasting blijkt dat Hendrik alleen in Maastricht een woonhuis had en alleen in Maastricht een beroep/beroepen uitoefende waarvoor patentbelasting verschuldigd was. Na 1870 neemt het grondbezit in Maastricht sterk af vermoedelijk door verkoop van de zoutziederij aan Marres. Na een vermindering van de patentbelasting na 1870 (geen zoutziederij en /of advokatuur meer?) neemt deze later sterk toe, wellicht door Hendriks engagement bij de Zinkwit en KNP.

              Voor een meer gedetailleerde uiteenzetting over de toenmalige procedure van Eerste Kamerverkiezingen, zie (4) en (5). In (4) zijn de belastinggegevens te vinden (zoals bovenstaande tabel) van alle ooit in Nederland en dus ook in Maastricht voor de Eerste Kamer verkiesbaar geweest zijnde mannen. Ook de beide zonen Paulus Josef (1857-1929) en Herman Josef (1860-1938 ) brachten het in Maastricht tot de hoogstaangeslagenen, resp. in 1900 en 1910,1917. (5) Door wijzigingen in de kieswet (1894) bestond toen echter geen publicatieplicht meer van de plaatselijk afgedragen directe belastingen en weten we daardoor weinig over hun vermogensposities in die tijd.

              Na het overlijden van zijn vader Hubert in 1869, erft Hendrik het statige woonhuis aan de Brusselsestraat. Hij blijft daarvan niet lang eigenaar want verkoopt het aan de zoutzieder Joseph Marres die na 1869 al de zoutziederij van de erven-Seydlitz had gekocht.

              In 1895 neemt Mr. Hendrik Seydlitz om gezondheidsredenen afscheid van het openbare toneel. Hij verhuist voor behandeling naar het kuuroord Kreuznach, waar twee dochters van hem woonden, beiden gehuwd met kooplieden Potthoff. Na overlijden van zijn echtgenote in Kreuznach (1901) wordt hij opgenomen in de Ehrenwallsche Kuranstalt in het kuuroord Ahrweiler in Duitsland (6). Hij sterft aldaar op 11 mei 1911. Hij was een vergeten man geworden. Slechts zijn naaste familie plaatste rouwadvertenties. Zijn graf, gemeenschappelijk met zijn vroeg gestorven dochter Charlotte, bevindt zich op de gemeentelijke Algemene Begraafplaats aan de Tongerseweg in Maastricht.

              Bronnen:
              1. Anonymus, Zoo lang gaat de kruik te water dat ze eindelijk berst. Een welgemeend woord tot onderrigting aan de Limburgers door Een waarheidsvriend, 1867 (geschat).
              2. P.J.H. Ubachs, Handboek voor de geschiedenis van Limburg, Maaslandse Monografieën Nr.63, Hilversum, Verloren, 2000.
              3. G.C.P. Linssen Verandering en verschuiving. Industriele ontwikkeling naar bedrijfstak in Midden- en Noord-Limburg, 1839-1914. Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland Bd. XIV. Tilburg 1969.
              4. Jaap Moes “Onder aristocraten”. Over hegemonie, welstand, en aanzien van adel, patriciaat en andere notabelen in Nederland 1848-1914. Hilversum, Verloren, 2012
              5. V.A.M. van der Burg & C.E.G. ten Houte de Langen, De hoogstaangeslagenen in ’s Rijks directe belastingen 1848-1917. De verkiesbaren voor de Eerste Kamer der Staten Generaal, 2004
              6. Stadtarchiv Ahrweiler
              Krantenknipsels via DELPHER
              Last edited by Breur; 16 juni 2015, 10:59.
              De leefs mer eine kier .

              Opmerking


              • #22
                Piet Bovy, juli 2015 Ir. Hermann Josef Seydlitz, de bankier.

                Maastricht heeft zijn voordeel gedaan met drie generaties Seydlitz. De zoutzieder en vervoerder Hubert Seydlitz (1801-1869) heeft in de MO-posting van 29.08.2014 uitvoerig aandacht gekregen. Van diens oudste zoon Mr. Hendrik Frans (1828-1911), lange tijd Gedeputeerde van Limburg, is in MO van 16.06.2015 een kort portret geschetst. Dit familieoverzicht wordt nu gecompleteerd met een schets van Huberts kleinzoon Herman Josef (1860-193, de tweede zoon van Mr. Hendrik. De appel valt hier weer eens, typisch voor die tijd (tweede helft 19-de eeuw), niet ver van de boom. De zoon volgt de vader in diverse openbare en andere maatschappelijke functies (gemeentebestuur van Maastricht, provinciebestuur van Limburg, bedrijfscommissariaten, etc) op.

                Net als zijn vader Hendrik heeft gedeputeerde Herman van zich doen spreken door gewaagde uitlatingen over de provincie Limburg. Op 15 november 1904 doet hij namelijk als pasbenoemd buitengewoon lid van Gedeputeerde Staten het voorstel aan Provinciale Staten om voortaan in uitgaande stukken van de Provincie het voorvoegsel “Hertogdom” in de provincienaamgeving maar weg te laten. Hij heeft daarmee landelijke bekendheid gekregen, want het voorstel werd in de kranten van die tijd van alle kanten bediscussieerd. De krantelezers kregen lange historische tractaten gepresenteerd dat de betiteling “Hertogdom” tot in de vroege Middeleeuwen terugreikte. Desalnietemin was de meerderheid van de scribenten het met Seydlitz roerend eens dat er geen reden meer is deze naam te voeren. De motivering voor afschaffing, die eigenlijk al veel eerder (namelijk in 1867) had kunnen gebeuren, was gelegen in het uittreden van Limburg uit de Duitse Bond. Als uitvloeisel van de Belgische afscheiding werd in het scheidingsverdrag bepaald dat als compensatie voor het afstaan van een deel van Hertogdom Luxemburg (lid van de Duitse Bond) aan het nieuwe België het Nederlandse deel van Limburg als Hertogdom Limburg aan de Duitse Bond werd toegewezen. De Koning van Nederland werd daarmee tevens hertog van Limburg (en was daarvoor hertog van Luxemburg). Op 11 mei 1867 treedt koning Willem III uit de Duitse Bond, en Limburg rechts van de Maas is voortaan geheel en uitsluitend Nederlands gebied. Voor de achtergronden van deze gecompliceerde staatkundige situatie van Nederland en Limburg, zie (1).

                Seydlitz had echter ook hardnekkige tegenstrevers, o.a. de Statenleden Mr. Beerenbroek en De Bieberstein die betoogden dat er sprake is van naamswijziging waartoe de provincie niet bevoegd en waarvoor een wettelijk besluit noodzakelijk is. Ook dit formele aspekt van het voorstel genoot brede belangstelling in de landelijke pers. Maar de juristen moesten bakzeil halen: noch in vroegere Grondwetten, noch in eerdere wettelijke besluiten werd ooit een naam Hertogdom Limburg gebezigd, dus een wettelijk besluit tot afschaffing van die naam bleek overbodig. Het voorstel Seydlitz werd op 11 juli 1906 door de Provinciale Staten met 26 tegen 14 stemmen aanvaard.

                Als van origine civiel-ingenieur, zullen bankdirecteur en ondernemer (aandeelhouder en commissaris van de Maastrichtse Zinkwit Mij.) Herman Seydlitz in de provincie minder formele onderwerpen meer aan het hart gelegen hebben. Eén daarvan was in ieder geval de bevaarbaarmaking van de Maas in Limburg, ook weer zo een nasleep van de Belgische afscheiding. In 1908 schreef Seydlitz een brochure over de problematiek van de Maaskanalisatie waarin hij betoogde dat kanalisatie zowel in het voordeel van België als Nederland zou zijn. In de Provinciale Staten van dec. 1912 hield hij er een polemisch betoog over met de dreiging, dat als Belgie niet mee zou werken aan een gemeenschappelijke oplossing Nederland naast het gemeenschappelijk Maasstuk (Maastricht-Maasbracht) een kanaal zou moeten aanleggen. Dit Julianakanaal kwam er inderdaad: besloten in 1915, eerste spade op 22.10.1925 de grond in, zie (1).

                Zijn verhouding met de Provinciale Staten begon met een teleurstelling: op 08.05.1895 werd hij namens de R.K. Staatspartij opgesteld als kandidaat voor de kieskring Maastricht, maar werd toen niet gekozen. Dat gebeurde pas op 13.06.1901. Op 19.08.1904 werd hij kandidaat gesteld voor Gedeputeerde Staten en op 03.11.1904 werd hij tot buitengewoon lid van dat college benoemd en bleef dat nog vele jaren daarna.

                Ir. Herman Seydlitz was vanaf 1910 in principe verkiesbaar voor de Eerste Kamer der Staten Generaal. Ook in dat opzicht volgde hij zijn vader Hendrik, voor wie dat eerder ook gegolden had. Zowel in 1910 als in 1917 behoorde Herman net als zijn broer Paulus tot de selecte groep van hoogstaangeslagenen in de provincie Limburg (4). Provinciale Staten kozen hun provinciale vertegenwoordigers voor de Eerste Kamer (voor Limburg destijds vier zetels) uit een beperkte groep verkiesbare mannen en wel alleen uit degenen met de hoogste welvaart, uitgedrukt in de hoogte van betaalde directe belastingen (de som van grondbelasting, personele belasting en patentbelasting). Aangezien zijn belastingafdracht boven een bepaald minimumbedrag lag (hoger dan de 160-ste op de ranglijst van belastingbetalers in Limburg), gold hij als een hoogstaangeslagene. Anders dan in de jaren vóór 1900 werd echter daarna geen gedetailleerde opgave van de in de gemeenten van de provincie door de hoogstaangeslagenen betaalde directe belastingen meer gepubliceerd, zodat wij van Herman, anders dan bij zijn vader Hendrik, geen beeld van zijn vermogenspositie hebben. Maar beroerd was die positie zeker niet: hij participeerde in succesvolle ondernemingen (o.a. Zinkwit, Geldersche Credietvereeniging) en was eigenaar van de kolossale Villa Maya aan het verkeersplein in het Villapark Lambertuslaan Nr. 9). Hem zal zeker ook wel een deel van de familiebezittingen buiten Maastricht ten deel zijn gevallen na overlijden van zijn vader in 1911, of wellicht zelfs al eerder. Voor een meer gedetailleerde uiteenzetting over de toenmalige procedure van Eerste Kamerverkiezingen, zie (3 en 4).

                De familie van Herman Josef gold in Maastricht als bekend weldoener voor de minderbedeelden, wat het beste met de volgende ingezonden brief in de Limburger Koerier van 29 april 1922 naar aanleiding van diens vertrek naar zijn nieuwe woonplaats Ubbergen kan worden geillustreerd:

                Bij een vertrek. MAASTRICHT, 26 April 1922

                „Geachte Redactie. met innig leedwezen verneem ik het bericht van het vertrek der familie Seydlitz-van der Maesen de Sombreff uit de stad Maastricht. Ik reken het tot mijn duren plicht, uit naam van al mijne vrienden in het ongeluk, de genoemde familie allerhartelijkst te bedanken voor hun weldaden, aan ons en aan zoovele anderen, gedurende hun veertigjarig verblijf in Maastricht, in overvloed bewezen. Hun huis stond steeds open voor de ongelukkigen. Iedereen kwam daar kracht en troost putten in zijne beproevingen. Vooral de schamele armen lagen hun na aan het harte, terwijl zij het woord van het Evangelie in beoefening brachten: „Zoo gij aalmoezen geeft, dat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechter doet." Overal dan ook, waar het vertrek der familie Seydlitz bekend werd in den kring der armen en misdeelden der fortuin verneemt men gejammer en geween, wijl zij weten, wat zij verliezen: zielen vol toewijding, die de naastenliefde op de volmaakste wijze beoefenden. Is het wonder, dat zij hen met tranen in de oogen het vaarwel toeroepen en hen uit het diepste huns harten dank betuigen voor alle genoten weldaden? Onze gebeden zullen hen vergezellen op hun verderen levensweg. Moge de hemel deze gebeden uit dankbare harten opgestegen, verhooren. roepen hen met ons vaarwel ook van harte een tot wederziens toe. Een schamele arme“

                Deze ingezonden brief klinkt te mooi om waar te zijn. Toch verbaast hij niet, want in de niet-onbemiddelde Seydlitz-familie was al generaties daarvoor sprake van grootscheepse steun aan hulpbehoevenden. Grootmoeder Johanna, geb. Merkens, overgrootmoeder Margaretha, geb. Offermann, en tante Sibilla geb. Verkenius waren allen Seydlitz-vrouwen, die in het Keulen van de vroeg-19-e eeuw voor hun caritatieve daden bekend stonden (5).

                Herman Josef groeide op aan de Brusselsestraat in Maison de Seydlitz, het (groot)ouderlijk huis waar achter zich de zoutziederij Marres bevond, eertijds eigendom van grootvader Hubert Seydlitz. Na bezoek aan het stedelijk gymnasium aan de Helmstraat studeerde hij in Delft aan de toenmalige Polytechnische School af als Civiel Ingenieur der Mijnen. In de beginjaren werkte hij als raadgevend ingenieur en was in die tijd van 1892 tot 1893 lid van het gemeentebestuur in Maastricht. Hij huwde 1891 Emilie Jeanne Henriette Marie van der Maesen de Sombreff (1864-1951). Zij was de dochter van jonkheer Paul vdMdS (1827-1902) uit Maastricht, na meermaals ongelukkig optreden als Minister van Buitenlandse Zaken, de “Limburgse dorpeling-diplomaat” genoemd. Het huwelijk bleef kinderloos, zodat Herman Josef de laatste in Maastricht woonachtige Seydlitz werd.





                Villa Maya.


                Toch heeft hij met een tweetal imposante gebouwen, duidelijk zichtbare sporen in Maastricht achtergelaten. In 1903 bouwt hij op een van de hoekpunten van het verkeersplein in het Villapark (Lambertuslaan 9-11) de kolossale Villa Maya, nu een rijksmonument (zie MO 12.10.2011), de latere woning van burgemeester Michiels van Kessenich. Die kon met die ruimte wel uit de voeten, want bij mij thuis (toch ook negen kinderen) werd vol ontzag verteld dat de burgemeester zestien kinderen had, waarvan vier aangenomen.

                Michiels van Kessenich was twee keer getrouwd. In 1929 huwde hij jonkvrouwe Emilie Louise Josephe Marie van Meeuwen (1907-1970) en in 1971 huwde hij Madeleine Marie Blanche Charlotte Ghislaine gravin du Chastel de la Howarderie (1905-1997). Uit het eerste huwelijk had hij twaalf kinderen (vijf zoons en zeven dochters).

                De bouw van Villa Maya had de volgende aanleiding. Herman Josef en zijn vrouw woonden daarvoor op het Onze Lieve Vrouweplein, op de plek waar nu het zg. Huis met de Pelikaan staat (6). Een zeer bezienswaardig gebouw, nu een beschermd monument, ontworpen door architect J.Limburg, in opdracht van de Geldersche Credietvereeniging, de bank waarvan Herman Josef aanvankelijk agent en later directeur van de Maastrichtse vestiging was. De nieuwbouw van deze vestiging in 1905 precies op de plek van zijn woning aan het Onze Lieve Vrouwplein 21 noodzaakte Herman Josef om te zien naar een nieuw verblijf (Villa Maya). Ongetwijfeld heeft civiel-ingenieur Herman een stevige stem in de bijzondere vormgeving (de knik) van het nieuwe gebouw gehad. Als de facto bouwheer speelde hij het klaar dat voor de opmerkelijke architectuur de bouw- en woningverordening eenmalig door de gemeenteraad werd aangepast.




                Huis met de Pelikaan.


                Op 62-jarige leeftijd vestigde de rentenier Herman Seydlitz zich in Ubbergen bij Nijmegen en overleed aldaar in 1938. Zijn graf bevindt zich echter in Maastricht, op de Gemeentelijke begraafplaats aan de Tongerseweg, net als dat van de meeste andere Seydlitzen.
                1. P.J.H. Ubachs, Handboek voor de geschiedenis van Limburg, Maaslandse Monografieën Nr.63, Hilversum, Verloren, 2000.
                2. G.C.P. Linssen Verandering en verschuiving. Industriele ontwikkeling naar bedrijfstak in Midden- en Noord-Limburg, 1839-1914. Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland Bd. XIV. Tilburg 1969.
                3. Jaap Moes “Onder aristocraten”. Over hegemonie, welstand, en aanzien van adel, patriciaat en andere notabelen in Nederland 1848-1914. Hilversum, Verloren, 2012
                4. V.A.M. van der Burg & C.E.G. ten Houte de Langen, De hoogstaangeslagenen in ’s Rijks directe belastingen 1848-1917. De verkiesbaren voor de eerste kamer der Staten Generaal, 2004
                5. D.A. Reder Frauenbewegung und Nation, patriotische Frauenvereine In Deutschland im frühen 19. Jahrhundert. SH-Verlag 1998.
                6. Het Huis met de pelikaan. Uitgave Stichting Historische Reeks Maastricht Nr. 42.
                Krantenknipsels via DELPHER.
                De leefs mer eine kier .

                Opmerking


                • #23
                  Wow, 16 juni heb ik gemist en nu wéér een doorwrochte tekst van mijnheer Bovy! Even geen tijd om te lezen, maar als er ooit een herdruk komt van de Historische Encyclopedie Maastricht staat 'Seidlitz' er gegarandeerd in!

                  Opmerking


                  • #24
                    De zouthandel van Seydlitz met de Rheinprovinz. Piet Bovy, Unkel, 13 september 2016.

                    In de eerste Kamer van Koophandel en Fabrieken van Maastricht heeft een Rijnlander uit Keulen een opvallende rol gespeeld. Nog pas vijf jaar als zoutzieder in Maastricht actief, werd hij op 26 maart 1835 door koning Willem I tot lid van deze Kamer benoemd en bleef dat onafgebroken tot zijn onvrijwillig terugtreden door opheffing van deze Kamer op 1 juni 1852. We hebben het over Hubert Seydlitz, geboren te Keulen op de Heumarkt tijdens de Franse bezetting op 4 mei 1802 en overleden op 22 september 1869 te Unkel, de huidige woonplaats van schrijver dezes. Tussen deze twee tijdstippen heeft Hubert Seydlitz een rusteloos leven als ondernemer geleid dat voor een belangrijk deel in Limburg vorm kreeg.
                    In de grotere steden vormden zoutziederijen vroeger een belangrijke tak van de plaatselijke nijverheid. Een zoutzieder maakt van ruw zout voor consumptie of ander gebruik geschikt zout. Het ruwe zout kan de vorm van zeewater hebben, zoals bij zoutziederijen in de kuststreken het geval is, of uit dieptes opgepompt zoutwater zijn. In Venlo en Maastricht verwerkte Seydlitz per schip aangevoerd steenzout uit zoutgroeves in Frankrijk en in Engeland. Het steenzout werd fijngemalen en opgelost in water waarna in zoutketen door koken (zieden) in platte zoutpannen boven een vuur gestookt met steenkool het water verdampt en schoon zout met lange lepels afgeschept en in vormen geperst en verder gedroogd werd. Seydlitz produceerde o.a. industriezout voor de export naar de Pruisische provincie Rijnland. Zout speelde daar een rol bij de fabricage van soda, chloor, zoutzuur, bleekmiddelen en andere natriumzouten voor toepassing in glasblazerijen, leerlooierijen, verfstof-fabrieken, zeepziederijen en textielfabrieken. In vroeger tijden was zout een van de belangrijkste handelsartikelen; om het bezit van zoutgroeven werd menige oorlog gevoerd. Vorsten, en ook de Pruisische staat, streefden naar een zoutmonopolie als
                    inkomstenbron.

                    Het werken aan een zoutpan in 1905. Bron: R.Palla, Verschwundete Arbeit, 2014.

                    In vorige postings in MestreechOnline (t.w. 29.08.2014 en 22.05.2015) is aan deze interessante persoon Seydlitz al aandacht besteed; hier gaat het meer in detail om de rol die hij speelde in de zouthandel vanuit Limburg naar het naburige Pruisen. Naar wij vermoeden begon dat als leerling-zoutzieder rond 1820 bij de Maastrichtse zoutziedersfamilie Cazaux, die al vóór 1800 en tot 1825 een zoutziederij aan de Brusselsestraat dreef. Voor de zoon van een Keulse zouthandelaar was Maastricht de dichtstbijgelegen kans het vak te leren, aangezien er in het hele Rijnland geen zoutziederijen gelegen waren en alle zout al sinds eeuwen geïmporteerd werd, veelal via de Rijn uit West-Nederland. Wellicht nog belangrijker voor deze keuze was, dat het ouderlijke handelsbedrijf Seydlitz & Merkens in Keulen, na vertrek van de Franse bezetters, zijn strategie had gezet op invoer van Limburgs zout naar het Rijnland. Waarom dat zo was is onderwerp van deze bijdrage. De contacten met Cazaux mogen wellicht al in de Franse tijd hebben bestaan, toen de grootvader van Hubert, de Keulse groothandelaar in zout en koloniale waren Jacob Seydlitz, voor de Franse bezetters van de Keulse provincie Maastrichts zout inkocht voor het door hem geleide „Dépot général des salines impériales de l’Est“ aldaar, dat een monopoliepositie voor de zoutbelevering van deze provincie had.

                    Door opvolgingsproblemen (eigen slechte gezondheid en onverwacht overlijden in 1807 van zijn enige zoon en gedoodverfd opvolger Franz) zag grootvader Jacob Seydlitz zich gedwongen een zakenpartner in zijn groothandelsbedrijf op te nemen. Met Heinrich Merkens stichtte hij in 1808 de handelsfirma Seydlitz & Merkens, die vanwege Napoleons continentaal stelsel de specerijenhandel opgaf, maar het zoutmonopolie behield en verder zich meer en meer toelegde op expeditie en commissiehandel, en later ook nog bankzaken erbij nam. Reeds in 1809 treedt Jakob als beherend vennoot/firmant terug en overlijdt in 1810. Zijn schoondochter Margaretha Offermann, de weduwe van zoon Franz en moeder van Hubert, vertegenwoordigt als stille vennoot de Seydlitz-tak, maar treedt niet als beherend vennoot op, dat deed medefirmant Heinrich Merkens, want vrouwen, zelfs als eigenaresse, mochten in die tijd wettelijk gezien geen zakelijke beslissingen nemen. De gewiekste Heinrich Merkens is er in geslaagd het bedrijf tot grote bloei te brengen en daarbij tevens de beide zonen Hubert en Ignatz van zijn zakenpartner Margaretha tot succesvolle zakenlieden op te leiden, die vanaf 1840 eveneens in de leiding van het bedrijf, net als zijn eigen zonen, gaan participeren. Het is dit ouderlijke bedrijf dat in hoge mate de toekomstige zakelijke activiteiten van Hubert Seydlitz, ook die in Nederland en België, zal beïnvloeden.

                    Familierelaties binnen het groothandelsbedrijf Seydlitz & Merkens. Bron: auteur.

                    Bijgaand schema toont de familie- en zakelijke relaties tussen de families Seydlitz en Merkens. Naast Hubert S. is zijn oudste zoon Hendrik S. opgevoerd, die vanaf 1859 als gevolmachtigde van zijn vader optrad en tevens heel wat jaren gedeputeerde van het hertogdom Limburg was (zie M.O.)

                    Er zijn voldoende aanknopingspunten om te mogen aannemen dat Huberts leertijd bij Cazaux in Maastricht op last van zijn moeders bedrijf plaatsvond. Zoals we nog zullen zien waren de Maashavensteden tussen Luik en Nijmegen van strategische betekenis voor de zouthandel van de firma Seydlitz & Merkens na 1815. In 1824, het jaar waarin hij de dochter van Heinrich Merkens huwt, vestigt Hubert zich met zijn jonge vrouw in Venlo en wordt er uitbater van de zoutziederij van de hem bekende, uit Maastricht afkomstige Jan Willem Cazaux, van wie hij diens bedrijf in 1830 onderhands voor zijn ouderlijk bedrijf Seydlitz & Merkens aankoopt. Al eerder was door datzelfde bedrijf op naam van Hubert in 1827 een andere Venlose zoutziederij verworven. Zoals zal blijken is de productie van deze zoutziederijen bedoeld voor afzet aan de Pruisische overheid van de naburige Rheinprovinz. Dat gebeurt dan ook en blijft zo tot ca. 1865, vlak voordat in Pruisen het overheids-monopolie op zout wordt opgeheven.
                    In 1829 laat Hubert de zaken in Venlo over aan zijn bedrijfsleider Pieter Lienders en vestigt zich met zijn gezin in Maastricht. Het vermoeden bestaat dat de met hem bevriende Sophia Strengnart-den Appel, eigenaresse van het zoutziedersbedrijf op de Brusselsestraat hem ertoe bewogen heeft haar bedrijf te gaan runnen, dat hij later in eigendom zal verwerven. Deze stap past echter perfect in de strategie van het Keulse ouderlijke bedrijf Seydlitz & Merkens om in de Maashavensteden aan de andere kant van de Pruisische grens bedrijfsvestigingen te stichten om daar zout goedkoop te gaan produceren en daarmee de Pruisische Rijnprovincie te beleveren. Na Venlo en Maastricht is ook in Luik een Seydlitz-zoutziederij gevestigd geweest, Hubert verkreeg zowaar in 1837 als Luikse zoutzieder een patent op een door hem ontwikkeld apparaat voor zoutraffinage, maar over deze Luikse vestiging is tot nu toe nauwelijks iets bekend geworden.
                    Het Rijnland, grofweg gelegen in de driehoek tussen Maas, Moezel en Rijn, heeft geen eigen zoutbronnen, noch zijn er zoutziederijen geweest. Vóór de Franse bezetting van het Rijnland in 1794 beleverden de Hollanders al eeuwenlang de stapelplaats Keulen, van waaruit het zout per schip en wagen verder werd gedistribueerd. Het werd tot aan de Pruisische tijd als losse bulk aangevoerd en in Keulen in zakken gevuld ter verdere distributie. De Keulse handelaren vonden het ´Hollandse´ baaizout, dat merendeels uit Frankrijk en Portugal kwam, superieur aan de producten uit het naburige Westfalen en Hessen. Het baaizout werd in West-Nederlandse havensteden veredeld (gereinigd, geraffineerd en gemengd) en via overslaghaven Dordrecht oostwaarts op de Rijn verscheept. De Franse bezetters voerden hoge invoerheffingen in en tijdens het continentaal stelsel (1806-1811) zelfs een compleet invoerverbod van zout uit Engeland en Portugal, zodat de zoutvaart naar het Rijnland tot volledige stilstand kwam. Deze ontwikkeling leidde tot een heroriëntatie van de handel van het Rijnland met gebieden binnen het Franse keizerrijk, waartoe ook België en Nederlands Limburg behoorden. Zout kwam nu o.a. uit Lotharingen, via de Moezel verscheept.

                    Het Congres van Wenen wijst in 1815 het Rijnland toe aan Pruisen en dit Koninkrijk voert in het Rijnland dezelfde streng gereguleerde zouteconomie (het zgn. Salzdebitswesen) in die al vele jaren daarvoor in het oostelijke stamland gebruikelijk was. De staat had het monopolie op productie, distributie, afzet en de prijszetting van het zout. Het was een planeconomie avant la lettre, waarin de overheid op basis van genormeerde verbruikshoeveelheden van particulieren, boeren en nijverheid bepaalde welke hoeveelheden, op welke plaatsen, tegen welke prijs geproduceerd, door de staat aangekocht en verder verhandeld werden. Op zijn eigen grondgebied participeerde de Pruisische staat op grote schaal in producerende zoutwerken; van particuliere zoutwerken werd zout volgens vaste prijzen aangekocht. Het geproduceerde zout werd voor de afzet opgeslagen in depots (zogenaamde Salzniederlagen) waarvan ligging en grootte door de staat werden vastgesteld, rekening houdende met de ruimtelijke vraagverdeling. In het Rijnland waren langs de Nederlands-Duitse grens in de volgende plaatsen zoutdepots gevestigd: Malmédy, Eupen (beide plaatsen behoorden tot 1918 bij Pruisen), Aken, Heinsberg, Wegberg, Elmpt, Breijell, Kaldenkirchen, Straelen en Geldern (zie de bijgevoegde kaart). Vanuit de depots werd enerzijds de (groot)handel bevoorraad en wel uitsluitend in aantallen houten standaardtonnen van ca. 200 kg, anderzijds de verkooppunten voor particulieren (de zogenaamde Sellereien) beleverd, waar kleinere hoeveelheden verkrijgbaar waren.Terwijl een Salzniederlage niets anders is dan een gebouw waar zout in tonnen opgeslagen ligt, vond daar tevens ook de gehele administratieve afwikkeling van de afzet plaats in het zgn. Salzcomptoir of de Salzfactorei, waar ambtenaren nauwgezet boekhouden en controle uitoefenen. Het transport vanaf de zoutwerken naar de depots werd door de staat aanbesteed aan particuliere bedrijven.
                    Voor de belevering van de depots van het Rijnland, dat geen eigen zoutwerken had, was invoer van elders noodzakelijk. Ook hierbij werd de particuliere handel via aanbestedingen ingeschakeld.

                    De Keulse firma Seydlitz & Merkens was uitermate succesvol in het binnenhalen van zulke opdrachten: Zo verkreeg deze firma het monopolie op het invoeren van Nederlands zout, waartoe de productie in de eigen zoutziederijen in Venlo, Luik en Maastricht werd ingezet. Na de Belgische afscheiding bedroeg de jaarlijkse afzet door Seydlitz van Limburgs zout in het Rijnland 2 Ã* 2,5 miljoen kilo. Ook beleverde de firma de depots in het Saarland en langs de Moezel met zout geïmporteerd uit Lotharingen en uit het Neckargebied. De firma won ook de aanbestedingen voor het scheepstransport vanaf de Westfaalse zoutziederijen langs de rivier de Lippe en vervoerde het zout met eigen schepen via de Lippe naar Wezel, waar overslag op Rijnschepen plaatsvond en verdere


                    Zoutafzet van Limburg naar Pruisen in 19e eeuw. Bron: auteur.

                    verscheping naar de bovenstroomse factorijen aan de Rijn. Het zouttransport vanuit de Maassteden naar het Rijnland geschiedde uitsluitend met paard en wagen, éénassige vrachtkarren met twee wielen resp. de veel robuustere tweeassige vrachtwagens met vier wielen. Vrachtkarren hadden een maximum laadvermogen van 3 ton, de vrachtwagens van 6 ton. Op straatwegen kon met twee paarden een lading van twee ton worden getrokken en kon per dag 40 km worden gehaald. De afstanden Maastricht-Aken resp. Venlo – Kaldenkirchen-Mönchen-Gladbach vergden zodoende een dag. Afgezien van het particuliere verbruik van zout door de bevolking (voor het kruiden en conserveren van levensmiddelen, voor bakkerijen en slagerijen, etc.) was het de opkomende nijverheid in Aken en omgeving en in plaatsen als Krefeld, Viersen, Mönchen-Gladbach en Rheidt die vanuit de factorijen in Aken resp. Kaldenkirchen werd beleverd. Daartoe behoorden leerlooierijen, zeepziederijen en vooral de opkomende chemische industrie (soda, chloor, zoutzuur, bleekmiddelen, verfstoffen etc.).
                    Het ingevoerde zout was onderhevig aan importheffingen. De Duitse douane (Zoll) had daartoe speciale plaatsen voor inklaring aangewezen en, teneinde smokkel tegen te gaan, eveneens voorgeschreven welke wegen (de zgn. heerbanen) voor het vervoer daarnaartoe wel resp. niet mochten worden gebruikt. Het Luikse zout voor het Rijnland moest in Malmédy worden ingeklaard, het zout uit Maastricht in Aken en dat uit Venlo in Kaldenkirchen. Het aantal inklaringskantoren aan de Westgrens was maar half zo groot als het aantal factorijen, wat betekende dat tussen de grensfactorijen onderlinge leveringen nodig waren. Seydlitz had in Maastricht dus voor zijn uitvoer naar het Rijnland te maken met Aken. Het inklaringskantoor en ook de factorij aldaar bevonden zich in de Pontstraße in het zgn. Großes Haus, waar thans een Zeitungsmuseum in gevestigd is.

                    Het is dienstig even stil te staan bij de belastingheffingen op de zouthandel in de eerste helft van de 19-de eeuw. Op de invoer van ruw zout naar Nederland gold een heffing van 2 gulden per 100 pond, indien door buitenlandse schepen aangevoerd, anders vrij; pas vanaf 1850 was invoer van ruw zout helemaal vrij. Ter bescherming van de Nederlandse zoutziederijen was de invoerheffing op geraffineerd zout erg hoog: 16 gulden per 100 pond, een tarief dat pas na 1850 tot 6 gulden per 100 pond werd verlaagd. De uitvoer van geraffineerd zout was onbelast. Aan Duitse zijde echter werd ingevoerd geraffineerd zout belast met een halve Thaler per Zentner (50 kg) wat neerkomt op krap 2 cent per kilo. De zoutzieders dienden bovendien accijns over hun productie af te dragen.
                    Kolen was een essentiële brandstof bij de zoutbereiding. Voor de Limburgse zoutziederijen kon deze kolen worden ingevoerd uit Engeland, het Luikse bekken, het Akense bekken of kwam uit de nabije domaniale mijn te Kerkrade. Invoer van steenkolen naar Nederland was vrij van heffing, en uitvoer van steenkool uit Duitsland eveneens vrij. Het was voor de zoutzieders voordelig als het transport van hun zout en van de benodigde kolen als een combinatie van vracht en retourvracht door dezelfde schipper of vervoerder kon worden uitgevoerd.
                    Waarom heeft Hubert Seydlitz resp. zijn Keulse handelsfirma gekozen voor Maastricht en Venlo als vestigingsplaatsen voor zijn zoutziederijen en bv. niet voor Roermond of Nijmegen of een Duitse plaats? Eerder dan een vriendendienst aan Jan Willem Cazaux of aan Sophia Strengnart-den Appel zullen rationale overwegingen bij hem de doorslag hebben gegeven. Duitse plaatsen vielen meteen af vanwege de extreem strenge regels van het Pruisische Salzdebitssysteem (zie daartoe bv. de desbetreffende lemmata in Krünitz Oeconomische Enzyclopaedie Bd.134) en de daaraan verbonden hoge kosten. Ook was Duitse kolen (zelfs in Duitsland) veel duurder dan Engelse of Belgische. De zeer liberale productievoorwaarden aan Nederlandse zijde waren zeker beduidend minder gecompliceerd. Bovendien gold lange tijd in Nederland, ter bescherming van de eigen nijverheid, een tariefstelsel, waarbij import van ruw zout laag en van geraffineerd zout hoog aangeslagen werd, maar bij de export juist omgedraaid. Nederland kende geen aparte doorvoerheffing maar belastte echter zowel invoer als uitvoer. Dus uit dat oogpunt was zoutraffinage in Nederland voordelig. De uitvoerheffingen aan de Nederlands-Duitse grens werden allengs geringer en waren vanaf 1845 nihil. In principe waren alle Maashavensteden van Luik tot Nijmegen voordelige productieplaatsen vanwege de ligging aan de Maas waardoor aanvoer van ruw zout (uit Frankrijk resp. West-Nederland) en van steenkool (uit het Luikse bekken en later Zuid-Limburg) per schip, maar ook afvoer van geraffineerd zout relatief zeer goedkoop in vergelijking met wegtransport waren. Ook waren in al deze plaatsen, misschien met uitzondering van Luik, de loonkosten relatief laag. Niet uitgesloten is dat in Maastricht en Venlo (ook) Duitse steenkool werd gebruikt omdat deze als retourvracht voor de zoutzendingen naar Aken en Kaldenkirchen kon dienen en daardoor een concurrerende prijs met Luikse kolen had. De bevoorrading van het Rijnland via de Rijn was al vóór de Franse bezetting volledig stil komen te liggen door de extreem hoge tollen die er zelfs nog jaren na de vrijmaking van de Rijn (1831, Akte van Mannheim) geheven werden. De afvoer van het zout uit Limburg naar het oosten geschiedde dan ook volledig via de weg, vooral via Venlo. Van belang voor de transportkosten was ook dat de aanvoerende zoutschepen uit het westen als retourlading steenkool en kalk mee konden nemen. Een eminent voordeel van Venlo waren goede verharde straatverbindingen naar het oosten en een groot afzetgebied van de zoutverwerkende nijverheid rondom Mönchen-Gladbach. Bij de keuze voor Venlo zal wellicht bij Seydlitz ook de verwachting hebben meegespeeld dat het door Napoleon begonnen Canal du Nord (getraceerd vanaf de Rijnhaven Neuss via Venlo tot naar Antwerpen) misschien toch eens zou worden voltooid, minstens tot Venlo, doch de opkomst van de spoorwegen heeft dat plan obsoleet gemaakt. De grote aantrekkelijkheid van Maastricht voor Seydlitz is zeker de aansluiting op de Zuid-Willemsvaart geweest waardoor een perfecte verbinding met de havens in het Westen bestond waar het ruwe zout uit Engeland en Portugal vandaan kwam en waar de Luikse steenkool en kalk als retourvracht naar toe ging. Ook de afzet naar het Rijnland via Aken met zijn uitstekende straatwegverbindingen (erfenis van de Franse bezetters) was een voordeel. Eerder dan de relatief bescheiden export-/importheffingen aan de grens waren deze transportlogistieke condities vermoedelijk de doorslaggevende factoren.
                    De keuze van Seydlitz voor Maastricht, Venlo en Luik als optimale productieplaatsen werd uiteindelijk bevestigd door de herhaalde gunningen van het Pruisische Provinciebestuur aan de firma Seydlitz & Merkens: decennialang, tot de opheffing van het staatsmonopolie in 1867, bleef hij de goedkoopste aanbieder van het zout uit Nederland en van de transportdiensten naar de factorijen. In een verweerschrift van Merkens op kritiek uit de Rijnlandse landdag dat hem steeds de zoutleveringen werden gegund, toont hij aan dat Nijmeegse zoutzieders niet alleen duurder produceerden (o.a. door hogere steenkoolkosten), maar bovendien langere transportwegen tot de Rijnlandse afzetgebieden hadden.

                    Het Bassin: De Maastrichtse haven anno 1848, tekening Ph. van Gulpen.Bron: RHCL.

                    Uit de Duitse douanestatistieken over de periode 1841-1857 blijkt dat zout, op steenkool na, het belangrijkste uitvoerartikel van Nederland naar het oosten via de weg was, gemiddeld ca. 2,5 miljoen kilo per jaar, zodat we mogen aannemen dat die uitvoer vrijwel geheel voor rekening van de firma Seydlitz & Merkens komt, immers, in een adres (van 28 november 1844) aan de Tweede Kamer geeft Hubert Seydlitz aan ongeveer deze hoeveelheden zout naar Duitsland te exporteren.
                    We kunnen concluderen dat Maastricht, net als Venlo, in de eerste helft van de 19-de eeuw grote vestigingsplaatsvoordelen voor zoutproductie en zoutexport bood en dat Keulse handelaren daar op slimme wijze gebruik van hebben gemaakt en er hun voordeel mee hebben gedaan.

                    Bronnen:
                    Lewe, Agnes „Invoer te lande verboden. Een verkenning van de handel over landwegen tussen Nederland en de Pruisische provincies Rheinland en Westfalen 1836-1857”, Verloren, Hilversum, 1995.

                    Pohl, Hans, „Wirtschaftsgeschichte Kölns im 18. und beginnenden 19. Jahrhundert“. In: Kellenbenz, Herrmann (Hg.), „Zwei Jahrtausende Kölner Wirtschaft, Band 2“. Greven Verlag, Köln 1975, S.9-162

                    van Eyll, Klara, „Wirtschaftsgeschichte Kölns vom Beginn der preußischen Zeit bis zur Reichsgründung“. In: Kellenbenz, Herrmann (Hg.), „Zwei Jahrtausende Kölner Wirtschaft, Band 2“. Greven Verlag, Köln 1975, S.163-266.

                    Merkens, Heinrich, handgeschreven Nota in de Acta des rheinischen Ober-Präsidii, Tit.X1, Sect.5 Litt A., No 56, 1843 (Transkriptie auteur)
                    Krünitz Oeconomische Encyclopaedie Bd. 134, lemma Salzdebitswesen.
                    De leefs mer eine kier .

                    Opmerking


                    • #25
                      De zoutzieders Cazaux in Maastricht door Piet Bovy, 7 juli 2017.

                      In 1957 sloten de poorten van de laatste zoutziederij van Maastricht, die van de zoutfabriek van Marres aan de Brusselsestraat 87. Drie generaties Marres hadden er sinds 1871, na overname van de zoutziederij van Seydlitz, een goedlopend bedrijf uitgeoefend met een zoutafzet tot zelfs buiten de landsgrenzen. Maar de concurrentie met de moderne industriële zoutproductie viel uiteindelijk voor het eerder ambachtelijke nijverheidsbedrijf niet vol te houden.





                      Vroeger kantoorpand zoutziederij Marres, huidige situatie.


                      De zoutziederij werd in Maastricht minstens al in de zestiende eeuw beoefend en gold als lucratieve nijverheid. Over de periode tot aan de negentiende eeuw is over de beoefenaren van dit ambacht tot nu toe weinig bekend geworden. Dankzij de gedetailleerde administraties (belastingen, patenten, woningen, etc.) ingevoerd door de Franse bezetters weten we gelukkig vanaf ca. 1795 veel meer over de sociaal-economische situatie van Maastrichtse bedrijven en hun eigenaren en exploitanten. Vanaf 1797 tot aan de sluiting in 1957 kan er inmiddels een onafgebroken reeks van eigenaren, exploitanten en productiekenmerken (bv. aantal zoutpannen) van het zoutziederijbedrijf aan de Brusselsestraat worden opgesteld.
                      In de vroegst bekende periode (1797-1825) waren het drie generaties Cazaux die het zoutbedrijf exploiteerden, waarna tot 1830 het bedrijf enkele jaren in handen van de aannemer Strengnart kwam. Bij diens overlijden in dat jaar gaf zijn weduwe Sophia Den Appel het bedrijf ter exploitatie aan Hubert Seydlitz, die het in 1847 in eigendom verwierf. Diens oudste zoon Hendrik zette het bedrijf na Huberts dood in 1869 nog tot 1871 voort, waarna het werd verkocht aan Philippe Marres. Drie generaties Marres hebben de zoutziederij tot 1957 successievelijk uitgebouwd en aan de eisen des tijds aangepast tot dat het niet meer ging.

                      Een interessant geval is de zoutziedersfamilie Cazaux (zie bijgevoegde stamboom) en daartoe beperken we deze bijdrage hierna (overigens komen diverse schrijfwijzen in de officiële bronnen voor o.a. ook Cazeaux en Casaux). Jan Cazaux en zijn echtgenote Martha Lafond waren gereformeerde geloofsgenoten die uit West-Nederland naar Zuid-Limburg waren gekomen (wellicht uitgezonden?). Hij was tijdens het Ancien Regime staatsambtenaar in dienst van de Staten-Generaal der Republiek der Zeven Verenigde Provinciën en was in die hoedanigheid secretaris van de heerlijkheid Bunde, Geulle en Ulestraten, destijds Staats gebied in de Landen van Overmaas. In die periode waren hij en zijn vrouw onder meer regent-vader (in 1783) resp. regentesse-moeder (in 1766) van het gereformeerd weeshuis in de Lenculenstraat 33 te Maastricht. Als gereformeerd ambtenaar met pensioen kon je zo een maatschappelijke functie, het was ook maar voor een jaar, niet weigeren. Dat is dan ook al bijna alles wat op dit moment van deze generatie Cazaux bekend is, hun betrokkenheid bij de zoutziederij in de Brusselsestraat is onbekend. Zeker is echter dat zij een in Rotterdam in 1742 geboren zoon Jan hadden, die in de Franse administratie van Maastricht in 1810 als zoutzieder te boek staat, maar daarvoor landbouwer was, vermoedelijk in bovengenoemde heerlijkheid.

                      Familierelaties zoutzieders Cazaux en Den Appel in Maastricht ca. 1770-1925.



                      Deze secretariszoon Jan Cazaux huwt begin der 1770-er jaren Anna Agnes Peill, dochter uit een gereformeerde predikantenfamilie te Stolberg bij Aken. Dit echtpaar Cazaux-Peill staat sinds 1806 in diverse notarisaktes genoemd als eigenaren en exploitanten van de zoutziederij annex zeepziederij aan de Brusselsestraat. Agnes Peill was kennelijk de exploitante van de zeepziederij want kort na haar overlijden in 1820 werd de inboedel van dat bedrijfsonderdeel op maandag 27 maart 1820 openbaar verkocht door “het ministerie van notaris Hurkens ten sterfhuize van wijlen mevrouw de weduwe Cazaux”, onder andere betreffende “... eenig zoutraffinadeursgereedschap, verscheidene groote yzere zoutplaten, een byzonder goede en solide kopere zeepketel met yzere bodem, dertien byzonder groote steene zeepbakken, andere zeepziederywerktuigen ....”. Deze verkoop vormde het einde van de zeepziederij aan de Brusselsestraat want daarna zijn geen meldingen meer over deze bedrijfstak aldaar aangetroffen. Het is verleidelijk te speculeren over de aanleidingen tot beëindiging en verkoop ervan. Was er geld nodig om de erven te kunnen uitbetalen of om schulden te vereffenen? Of was er veel meer een bedrijfseconomisch motief om met de zeepproductie te stoppen en zich volledig op de zoutproductie te concentreren omdat deze lucratiever was? Het Maastrichtse zout had immers een aantrekkelijk en lonend afzetgebied in de naburige Pruisische Rijnprovincie waar sinds 1816 vanwege het Pruisische staatsmonopolie op zout hoge afzetprijzen konden worden gerealiseerd. Overigens was de combinatie van zout- en zeepziederij toentertijd erg normaal, wat niet verbaast, want veel dezelfde werktuigen (stookplaatsen, ketels, kuipen), gereedschappen (karren, scheppen, ed.) en materialen (kolen) konden bij beide productieprocessen worden ingezet.

                      In het jaar 1797 verschijnt de op 4 februari 1759 in Weesp geboren inmiddels gewezen gereformeerde predikant Maximiliaan den Appel in Maastricht ten tonele. Hij huwt in dat jaar de oudste dochter Maria Anna Martha van het zout-zeepziedersechtpaar Cazaux-Peill. We mogen aannemen, maar volle zekerheid is er tot nu toe niet, dat er dan al aan de Brusselsestraat een zout-/zeepziederij in bedrijf was die door de familieleden Cazaux (vader Jan, moeder Agnes en de zonen Jan-Willem en later Jan-Gabriel) gerund werd. Maximiliaan den Appel richtte in die tijd samen met zijn zwager Jan-Willem Cazaux een handelsfirma onder de naam M. Den Appel & J.W. Cazaux op, waarvan we de rondreizende koopman Den Appel zeker als de drijvende kracht en financiële strateeg mogen zien, terwijl medefirmant Jan Willem Cazaux de bedrijfsbelangen in Maastricht behartigde. Deze firma verwierf tussen 1797 en 1806 terreinen en opstallen aan de Brusselsestraat, zulke op het perceel van hun (schoon)ouders (huisnummer 831), maar ook zulke op het belendende perceel van Juffer Maria Johanna Theresia van Eyll, eveneens aan de Brusselsestraat nr. 831. Ook het paar Cazaux-Peill was het gelukt om opstallen op het terrein van Juffer Van Eyll op te bouwen en daarmee zijn bedrijf uit te breiden. Op beide belendende terreinen heersten gecompliceerde eigendomsverhoudingen, vermoedelijk een in oude binnensteden niet ongewone situatie. Naast eigenaresse Juffer van Eyll had de firma Den Appel & Cazaux er arealen en opstallen bemachtigd en hetzelfde gold voor de zoutziedersfamilie Cazaux-Peill. Juffer van Eyll (1741-1824) stamde uit een vermogende Brabantse familie en was de ongehuwde zus van de bekende Maastrichtse kanunnik Allard van Eyll (1740-1817).

                      In 1806 komt het dan onder leiding van notaris Nierstrasz tot een volledige overname van alle grond, opstallen, vaste aanhorigheden en mobiele bedrijfsmiddelen door de firma M.Den Appel & J.W.Cazaux. De (schoon)ouders worden voor hun deel van de bezittingen uitbetaald (hoofdsom 11.257,50 Francs). Juffer van Eyll staat haar bezittingen af voor een hoofdsom van 19.553 Francs, waarvan een deel in de vorm van een onopzegbaar kapitaal van 11.850 Francs staande op de overgenomen gebouwen waarvoor zij van de nieuwe eigenaren een jaarlijkse rente ter hoogte van 4% ontvangt (ook latere eigenaren tot en met Marres in 1957 zijn daarmee belast geweest). De schuldenaren Den Appel en Cazaux zijn vermoedelijk nolens volens met deze financiële constructie akkoord gegaan teneinde een begeerd stukje terrein te bemachtigen om uitbreidingen van hun bedrijf te kunnen realiseren, wat ook is gebeurd. Anderzijds kon destijds met een florerende zoutziederij vermoedelijk makkelijk een hoger rendement op bedrijfskapitaal dan 4% worden gerealiseerd.

                      De familie Cazaux-Peill was vanaf dat moment nog maar exploitant-huurder van de eigendommen van hun (schoon)zoon en breidden hun zout- en zeepziedersbedrijf, gesteund door uitbreidingen op het vroegere Van Eyll-areaal, in de loop der jaren voortvarend uit. Was er in 1806 bij de eigendomsovergang sprake van twee zoutpannen - het cruciale bedrijfsmiddel van een zoutziederij - in 1825 bij verkoop van het bedrijf aan Strengnart waren er dat zes geworden.
                      Het jonge zoutziedersbedrijf Den Appel & Cazaux ging het kennelijk voor de wind. Het Franse keizerrijk vergrootte de afzetmogelijkheden van hun producten, onder andere naar het bezette Rijnland. Toch waren zij er niet helemaal gerust op. In het koopcontract van 1806 hielden zij wijselijk rekening met mogelijke verslechteringen in de economische omstandigheden als gevolg van politieke ingrepen door Napoleon (continentaal stelsel) resp. door diens tegenstrevers, met nadelige gevolgen voor de zouthandel vanuit Maastricht.





































                      Plattegrond A. zoutziederij ca. 1820 (periode Cazaux–Den Appel–Strengnart). Plattegrond B. zoutziederij ca. 1880 (periode Seydlitz-Marres).



                      De zoutziederij was destijds een zeer lucratieve tak van nijverheid. Zowel Maximiliaan den Appel als ook schoonvader Jan Cazaux behoorden in de Franse tijd tot de hoogstvermogenden en prijkten in 1811 prominent op de lijst van 121 hoogstaangeslagenen in de directe belastingen in Maastricht. Maximiliaan den Appel had ook een gelukkige hand met effectenhandel en wellicht ook met handel in de door de Fransen geseculariseerde kerkelijke goederen. Hij was weliswaar een belangrijke financier van de zoutziederij, op gelijke voet met zijn partner Jan-Willem Cazaux, maar heeft zolang zijn schoonouders leefden de bedrijfsvoering kennelijk aan de ervaren Cazaux-familieleden overgelaten, want afgaande op de geboorteplaatsen van zijn kinderen met echtgenote Martha Cazaux (o.a. Den Haag en Den Bosch) moet hij niet vaak in Maastricht aanwezig zijn geweest.

                      Na de aftocht van de Fransen ging het de Maastrichtse zoutzieders zeker niet slechter. Het belangrijke afzetgebied Rijnland werd bij Pruisen ingelijfd, de staat die daar het in zijn oostelijke stamlanden al eeuwen geldende staatsmonopolie invoerde. Zoutproductie, zouthandel, zoutafzet en zoutprijzen werden volledig door de Pruisische staat gereguleerd: een planeconomie avant-la-lettre. Het Rijnland had geen eigen zoutbronnen, noch waren er zoutziederijen, alle zout moest worden geïmporteerd. De Limburgse zoutziederijen in de Maashavensteden waren door hun gunstige ligging in het transportnetwerk en de relatief lage productiekosten zeer concurrerend en hadden een belangrijk aandeel in de zoutleveringen aan het Rijnland. Het familiebedrijf Cazaux heeft daar zijn aandeel in genomen en er zijn voordeel mee gedaan. De sterke uitbreiding van de productie tussen 1806 en 1825 (van twee naar zes zoutpannen) spreekt boekdelen.

                      In 1817 overlijdt Jan Cazaux en als in 1820 zijn vrouw Agnes Peill komt te overlijden breken er woelige tijden voor de zoutziederij aan de Brusselsestraat aan, die pas in 1825 eindigen. De zeepziederij, kennelijk gerund door Agnes Peill, werd afgestoten, vermoedelijk om de zoutproductie te kunnen opvoeren. Na de dood van de (schoon)ouders is er zelfs sprake van geweest (in 1821) om het hele bedrijf te verkopen, maar op de een of ander manier hebben de nabestaanden een arrangement weten te vinden leidend tot voortzetting. In die tijd was zoon Maximiliaan den Appel, zijn vaak uithuizige vader vertegenwoordigend, kortstondig (1821-1822) procuratiehouder der firma, wat kennelijk geen succes was, want het werd per krantenadvertentie publiekelijk herroepen.

                      De beide broers Jan Willem en Jan Gabriel Cazaux verlieten al vóór die tijd het ouderlijke bedrijf, dat vervolgens door hun oudere zuster Martha en op de achtergrond door haar man Maximiliaan den Appel senior werd geleid. De beide broers zijn kennelijk door hun zus en hun zeer vermogende zwager uitgekocht want beiden beginnen elders een eigen zoutziederij.

                      Jan Gabriel Cazaux kocht in 1821 een pand aan de Kleine Gracht in Maastricht en richtte daar een zout- en zeepziederij in, die nog in hetzelfde jaar in productie ging. Deze Jan Gabriel Cazaux, zelfstandig ondernemer geworden, was vanaf 1821 als (enige) zoutzieder lid van de Maastrichtse Kamer van Koophandel en is dat tot zijn overlijden in 1829 gebleven. Zijn plaats in deze Kamer werd enkele jaren later (1833) door de zoutzieder Hubert Seydlitz ingenomen, die vanaf 1830 de zoutziederij van de weduwe Strengnart aan de Brusselsestraat leidde en het bedrijf later (1847) in eigendom verwierf.
                      Jan Willem Cazaux bleef als firmant van het handelshuis M. Den Appel & J.W. Cazaux weliswaar als mede-eigenaar nog financieel bij zijn vroegere bedrijf betrokken, maar vertrekt uit Maastricht en verkoopt er 1821 huis en goed. Hij sticht, net als zijn jongere broer, eveneens een nieuwe zoutziederij en wel in 1822 in Venlo aan de Nieuwstraat en met geleend geld. De vooruitzichten van beide nieuwe Cazaux-zoutziederijen zijn zeer goed door de stijgende zoutbehoeften in het Rijnland.

                      Pas in 1823 komt het in Maastricht tot de onderhandse verkoop van Jan Willems deel van de zoutziederij, door notaris Jesse in de volgende bewoordingen omschreven: de onverdeelde helfte in een huis met stallingen, remis, zes zoutketen, zoudmagazijnen, pompen en alle verdere aanhorigheden dier gelegen te gezegd Maastricht op de Brusselschestraat onder nummer 831 reigenoten eene zijde de heer Hormans, andere zijde Renier Vrijens, welke onverdeelde halfscheid aan voornoemde heer Cazaux is toebehorende in voorschreve huis en aanhoorigheden,...”. De koper is aannemer Strengnart, gehuwd met Den Appels dochter Sophia Carolina uit zijn eerste huwelijk. De opbrengst van 12.250 gulden (daarin begrepen zijn aandeel in het onopzegbaar kapitaal van Juffer van Eyll) kan Jan Willem Cazaux goed gebruiken om schulden in Venlo af te lossen.

                      Kort daarvoor, einde 1822, was zijn zuster Martha den Appel overleden, die met haar man de zoutziederij aan de Brusselsestraat leidde, die op dat moment nog in ongedeeld bezit van de firmanten M.den Appel en J.W.Cazaux was. Nauwelijks twee jaar later, begin 1825, overleed ook Maximiliaan den Appel en dreigde het fraaie bedrijf stuurloos te worden.
                      Strengnart was echter ook succesvol in het bemachtigen van de andere onverdeelde helft van de zoutziederij die per openbare veiling van eigenaar verwisselde. De desbetreffende advertentie van notaris Jesse biedt een aardig overzicht van de bedrijfsmiddelen waaruit in 1825 een succesvolle zoutziederij bestond: “openbare opveiling en verkoping aan den hoogstbiedende der hierna beschreve patrimoniele goederen, gedeeltelyk toebehoorende aan de nalatenschap van wylen den heer Maximiliaan den Appel, in zyn leven zoutzieder in gezegd Maastricht te weten:

                      1.Eene zeer schoone tans dienende en neringrijke zoutziederij, gelegen op de Brusselsestraat te Maastricht bestaande in ses pannen met aanhorige kuijpen, vuilbakken, citernen en verder toebehoor, daar en boven in eene werktuigelijke molen door een paard beweegd /:dog zonder paard zullen verkogt worden :/ en bij onderaardsche looten pijpen, leijdende de nodige wateren tot de respective kuijpen en pannen, als mede nog in verscheide groot zoutmagazijnen met hunne zolders en onderaardsche steenen en gecimenteerde bakken, benevens een groot gebouwd, bevoeg en onlangs gedient hebbende tot ene zeepziederij met oliekelders en naast gelegen stallingen in twee groote remisen.
                      2. Een mooi en nieuw gebouwd huis naast voorschreven zoutziederij gelegen met aanhorigen tuin en kelders, zeer geschik en gedient hebbende tot den wijnhandel.”


                      Kantoorgebouw zoutziederij Brusselsestraat 87 (tekening Ph. Van Gulpen, ca. 1850).



                      Speciale aandacht verdient het ad 2. beschreven huis (zie afbeelding). Het betreffende gebouw, een schitterend kantoorpand, staat nog steeds aan de Brusselsestraat, nu nr. 87, en dient thans als appartementencomplex. Het voor die tijd kolossale pand is ca. 1823 door de kooplui en zoutzieders Den Appel & Cazaux op hun bedrijfsterrein direct gelegen aan de Brusselsestraat gebouwd en moest uitdrukking geven aan het zakelijke succes van hun onderneming. Zeker ook speelden daarbij de zakelijke vooruitzichten een rol. De aansluiting op de Zuid-Willemsvaart in 1824 verbeterde op slag de functie van Maastricht als transportknooppunt voor personen en goederen. De aanvoerkosten van ruw zout uit West-Nederland daalden dramatisch. Tegelijk stegen daarmee de (toch al uitstekende) afzetkansen en verkoopwinsten van het geraffineerde zout naar het Rijnland.

                      Oorspronkelijk uit drie traveeën symmetrisch opgebouwd, werd echter in 1844 door de latere zoutzieder/eigenaar Hubert Seydlitz aan de rechter zijde van het fraaie gebouw een vierde, smallere travee met inrijpoort toegevoegd (zie de stippellijn bij perceel 48 in plattegrond A.). De Maastrichtse tekenaar Philippe van Gulpen heeft het in de 1850-er jaren op papier vastgelegd en als “Maison de Seydlitz” betiteld. De stad Maastricht kan de ondernemers Den Appel & Cazaux dankbaar zijn voor hun initiatief dit gebouw te stichten dat door Van Gulpens tekening ten onrechte aan Seydlitz wordt toegedicht.

                      De meer dan 30 jaren durende periode waarin de Cazaux-den Appel-zoutzieders werkzaam aan de Brusselsestraat waren, werd in 1825 afgelost door een kortstondige Strengnart-periode, waarna Hubert Seydlitz in 1830 op verzoek van Strengnarts weduwe Sophia den Appel het roer overnam, vanaf 1847 ook in volle eigendom, en het bedrijf tot 1871 in Seydlitzhanden bleef, waarna het naar de familie Marres overging. Het statige kantoorgebouw bleef echter tot 1899 in bezit en gebruik van Mr. Hendrik Seydlitz, advocaat en gedeputeerde, die er zijn praktijk en woning had (een hoge muur dwars over het terrein lopend scheidde de zoutziederij van het woning-kantoorpand van Seydlitz, zie stippellijn op plattegrond B.
                      Last edited by Breur; 17 augustus 2017, 08:39. Reden: Enkele correcties aangebracht.
                      De leefs mer eine kier .

                      Opmerking


                      • #26
                        "Incident". De Haagsche Courant van 18 maart 1908:

                        De leefs mer eine kier .

                        Opmerking

                        Bezig...
                        X