Aankondiging

Sluiten
No announcement yet.

Jan van Steffeswert en de rauwe werkelijkheid...

Sluiten
X
  • Filter
  • Tijd
  • Tonen
Clear All
nieuwe berichten

  • El Loco
    started a topic Jan van Steffeswert en de rauwe werkelijkheid...

    Jan van Steffeswert en de rauwe werkelijkheid...

    Ik zat net lekker een hoofdstuk te lezen in het van Breur ontvangen boek TimmersWerk, toen ik even rauw werd geconfontreerd met de werkelijkheid in het Maastricht anno 1534/'35. Het hoofdstuk gaat over de laatmiddeleeuwse beeldensnijder Jan van Steffeswert, waarvan men pas een jaar of 15 Ã* 20 geleden ontdekt heeft dat hij meerdere malen voorkomt in de Maastrichtse archieven en dat hij in de Mariastraat gewoond en gewerkt heeft.

    De gebeurtenis waar ik zo onaangenaam van schrok is de volgende: rond de tiende september 1534 werden op het Vrijthof twee mensen verbrand, waarvan één de schoondochter blijkt te zijn van Jan van Steffeswert. Deze Greetchen Bieldesnider was getrouwd met Jan's zoon Aert, en beide echtelieden sympathiseerden met het in die jaren opkomende Lutheranisme. Greetchen werd veroordeeld onder meer op het getuigenis van haar buurvrouw Trijn Sips, die had gezien dat Greetchen, bij het voorbijgaan van een processie met het H. Sacrament, naar achteren was gegaan en zich pas weer had laten zien toen de processie alweer lang en breed terug was in de kerk. Dat was blijkbaar voldoende om haar een week later als menselijke fakkel een gruwelijke dood te laten sterven op het Vrijthof (samen met ene Hendrik Rol, een wederdoper).

    En Jan, onze Jan Bieldesnider, stond hij erbij toen zijn schoondochter in het openbaar terechtgesteld werd? We weten uit de archieven dat hij niet onsympathiek stond tegenover de nieuwe opvattingen. In 1531 legde ene Jacob van Till een getuigenis tegen hem af, waarbij Jan werd beschuldigd van Lutheranisme. Hoe dat proces afliep is niet bekend. Hoe het met Jan's zoon Aert afliep na de terechtstelling van zijn vrouw, weten we ook niet.

    Nog geen half jaar na deze dramatische gebeurtenis, werden op 1 februari 1535 vijftien (!) mensen tegelijkertijd verbrand op het Vrijthof. Wat een afschuwelijk schouwspel dat geweest moet zijn, is bijna niet voor te stellen. De kapelaan van prinsbisschop Erard de la Marck van Luik schreef met grote letters in zijn kroniek: "DYE GROTE DROEFNIS TOT TRICHT GESCIET.

    De vlammen, de hitte, de stank, het gegil, het moet in bijna de hele stad te zien, te voelen, te ruiken en te horen zijn geweest. Hoe zullen de kanunniken in de huizen aan de zuidzijde van het plein daarmee omgegaan zijn? Zouden ze een dagje de stad uit zijn gegaan, of stonden ze gewoon voor het raam? Zullen de zusters van het Wittevrouwenklooster aan de overkant zich beklaagd hebben over de asregen op hun bleekveldje? Zullen de bezoekers van de stad, de pelgrims die op dat moment in het Sint-Servaasgasthuis logeerden, ingestemd hebben met het kordate optreden tegen de ketterij? En dan de Maastrichtenaren, zullen ze hebben toegekeken hoe 15 andere Maastrichtenaren op spectaculaire wijze om het leven werden gebracht? Want behalve gruwelijk, zal het dat toch ook zijn geweest: 15 brandstapels naast elkaar; je kunt je haast niet voorstellen hoe ze het logistiek voor elkaar kregen.

    Een mens durft het zich bijna niet af te vragen, maar was Jan toen al dood? Na het proces van 1531 is er over hem niks meer terug te vinden in de archieven. Zijn laatstgesigneerde werk dateert van 1526. Hij was toen ongeveer 65 jaar oud. Laten we hopen dat hij de verbranding van zijn schoondochter in 1534 niet heeft hoeven meemaken. Laten we hopen dat er onder die 15 ongelukkigen op het Vrijthof op die eerste februari 1535 zich niet ene Jan Bieldesnider bevond, dezelfde Jan, die de hele stad en verre omstreken had voorzien van elegante, laatgotische beelden, die tussen 1512 en 1516 betrokken was bij de inrichting van de Kruisherenkerk, die aan het einde van zijn carrière de eervolle opdracht van een Marianum voor de Dom van Aken ontving, diezelfde Jan, waarvan het Bonnefantenmuseum tien beelden in haar bezit heeft, diezelfde Jan, wiens werk in museumcollecties in Luik, Brussel, Berlijn, Kiev, Londen, Birmingham en New York te vinden is. Nee, laten we er niet aan denken...


    Van Steffeswert's laatste werken: Marianum (1524), Dom v Aken; 2 Maria Magdalena's (±1525), Matthiaskerk & Bonnefantenmuseum; H. Balbina (1526), Millen (D.)

    Bronnen:
    * TimmersWerk. Opstellen over Prof. Timmers & De Kunst van het Maasland. Sittard, 2007
    * Bonnefantenmuseum. Collectie Middeleeuws Houtsnijwerk (Peter te Poel). Maastricht, 2007

  • burgemeester
    replied
    nee, nu staat die post dubbel. Ik heb gewijzigd in een vorig bericht en dacht dat ik aan het qouten was. Als jij jouw bericht dus weghaalt, haal ik ook al het overbodige van mij weg.

    Leave a comment:


  • burgemeester
    replied
    Ik heb het even nagevraagd: het beeld is inderdaad afkomstig uit de nalatenschap van Ch. Eyck en heeft waarschijnlijk gediend ter decoratie. Het is niet van zijn hand en is van gips. Het beeld staat buiten in de kou, dooe een combinatie van vriezen en dooien wordt het steeds slechter.

    Ik heb toch maar even gevraagd of het niet naar binnen kan - blijft toch een sjoen beeld, he!

    (Ik zie zojuist dat ik per ongeluk i.p.v. 'quote' de 'edit' button gebruikt heb. Hierdoor is een eerdere post vervallen. Excusez moi.)

    Leave a comment:


  • El Loco
    replied
    Oorspronkelijk geplaatst door burgemeester Bekijk bericht
    Overigens is dit geen bronzen beeld, maar gemaakt van - naar ik meen - cement (zie ook de ijzeren pen die zichtbaar is bij de knie).
    Dan zal het wel gips zijn. Kan natuurlijk een afgietsel van een ander corpus zijn, dat Eyck als tekenvoorbeeld gebruikte.

    Leave a comment:


  • burgemeester
    replied
    Ik heb het even nagevraagd: het beeld is inderdaad afkomstig uit de nalatenschap van Ch. Eyck en heeft waarschijnlijk gediend ter decoratie. Het is niet van zijn hand en is van gips. Het beeld staat buiten in de kou, dooe een combinatie van vriezen en dooien wordt het steeds slechter.

    Ik heb toch maar even gevraagd of het niet naar binnen kan (blijft toch een sjoen beeld, he!).
    Last edited by burgemeester; 27 oktober 2010, 10:56.

    Leave a comment:


  • El Loco
    replied
    Zou op zich gekund hebben want dat corpus (toegeschreven aan Jan van Steffeswert) bevindt zich al sinds 1916 in de LGOG-collectie, dus Eyck zal het zeker gezien hebben. Hij had na de oorlog zelfs korte tijd zijn atelier in hetzelfde gebouw, waar een paar jaar later het Bonnefantenmuseum in zou trekken.

    Maar hoe dan ook, een 'namaakje' vind ik het sowieso niet, de kromming van het lichaam is niet dezelfde, de detaillering is minder (ook niet gek als je bedenkt dat Eyck's corpus in brons (?) gegoten is) en - 't is lastig te zien op deze foto's - ik zie bij Eyck toch niet diezelfde desolate expressie die ik bij de Bieldesnider wel zie...



    Maaruh, wat doet dat beeld daar op dat stoepje? 't Is toch nog altijd een Eyck...

    Leave a comment:


  • burgemeester
    replied
    Even terzijde. Onderstaand beeld is naar verluid afkomstig uit het atelier van Ch. Eyck (heeft gediend als decoratie). Is dit een namaakje van dat fantastische houten beeld dat hangt in het Bonnefanten van Van Steffeswert? Was glauben sie?
    Bestanden bijvoegen

    Leave a comment:


  • El Loco
    replied
    Jan van Steffeswert wèl getuige van verbranding schoondochter

    De heer Jef Moers liet mij in een telefoongesprek weten dat archiefonderzoek heeft uitgewezen dat Jan van Steffeswert kort ná de terechtstelling van zijn schoondochter Greetchen is overleden. Schokkend dat een van Maastrichts beroemdste zonen aan het eind van zijn leven zoiets heeft moeten meemaken. Met die gebeurtenis in het achterhoofd, is het moeilijk nog onbevangen naar het Marianum in de Dom van Aken, één van zijn meesterwerken, te kijken:


    1524: Marianum Dom v. Aken. 1534: verbranding Greetchen Bildesnider (geen historische afbeelding)

    Jef Moers heeft uitgebreid archiefonderzoek gedaan naar alle familieleden die als 'Bildesnider' werden aangeduid en zal hierover binnenkort publiceren (ik meen dat hij zei, in samenwerking met Peter te Poel). Het belooft een belangrijke publicatie te worden, waarin de periode rond 1500 belicht zal worden als een bloeitijd voor de kunsten in Maastricht, die met de geloofsvervolgingen abrupt ten einde kwam.

    Leave a comment:


  • Breur
    replied
    Uit het land van mijn voorouders.

    O.a. pastoor À Tilia noteert de bijgevoegde feiten.

    Hij geldt als zeer betrouwbaar. Al deze genoemde personen hebben echt bestaan en ook de genoemde locaties bestaan. Dit is door mijn geverifieerd tijdens het onder zoek naar mijn voorouders.

    Bron:

    P. J. Debouxhtay en F. Dubois: Histoire de la Seigneurie de Nivelle-sur-Meuse et de L’ancienne paroisse de Lixhe - Luik 1935.

    Opmerking: Joannes Balduini a Tilia (de Thioux) was pastoor van Lixhe van 1608 tot in 1622. Januari 1608 neemt hij zijn intrek in de de pastorie, maar zoals toentertijd gebruikelijk, ging de benoeming pas in op 24 juni - het feest van Joannes de Doper- en ontving hij vanaf deze dag de inkomsten hieruit voortvloeiend. Voorheen had hij, vanaf juli 1599, in de parochie Jupille gedurende 9 jaren de functie van kapelaan en schoolmeester vervuld. Hij was afkomstig van Izier (Luxemburg). Zelf vermeldt hij op 30 oktober 1622 "moy A. Tilia curé, absent et célébrant Ã* Hermalle". Hij treft zijn pastorie geplunderd aan. Troepen van de Prins van Oranje, de Prins van Saksen en de Prins van Holstein zijn in dit gebied gelegerd; zoals gewoonlijk worden de plaatselijke bewoners slachtoffer door inkwartiering, plundering en vernieling. Jean-Bauduin werd benoemd tot pastoor van Hermalle-sous-Argenteau, waar hij overlijdt op 10 juni 1631. Hij was van het dak van de kerk gevallen! Hij wordt opgevolgd door Nicolas Oranus vanaf 13 september 1624. Deze overlijdt aan de pest te Lixhe op 5 oktober 1635. Reeds eerder, 26 februari 1617 was de moeder van Jean-Bauduin a Tilia - Marie Marchand - eveneens aan de gevolgen van de pest overleden. Joannes Lassaux was pastoor van Haccourt en was zijn vervanger omdat A Tilia "confratre absent" was. Het waren dus roerige tijden in 1622 rondom Lixhe (1609-1621 Twaalfjarig Bestand).
    Bestanden bijvoegen

    Leave a comment:


  • Ingrid M.H.Evers
    replied
    Robijns

    Oorspronkelijk geplaatst door Breur Bekijk bericht
    Je weet wel mensen erg af te schrikken nog een goed bedoelde bijdrage te leveren. Voor mij betekent dit wellicht tot jouw grote opluchting een einde aan mijn bijdrage aan dit soort onderwerpen. Je had dit anders en positiever kunnen formuleren.
    Het is helemaal niet mijn bedoeling geweest je af te schrikken, Breur. Ik weet ook niet precies waar je bezwaar tegen maakt. Ik heb gereageerd vanuit mijn belangstelling voor het fenomeen 'toverijprocessen' en twee nieuwe bijdragen geplaatst over:
    1. het beeldverhaal;
    2. het verstelsel.

    Ik heb die bijdragen nog eens nagelezen en inmiddels taaltechnisch deels aangepast, maar ik vind werkelijk niet dat ik je in die teksten heb aangevallen. Zeker, ik heb in het eerste gedeelte van mijn tweede reactie geschreven dat ik het jammer vind dat in dit topic een geromantiseerd verhaal is opgevoerd. Ik had dit graag elders gezien, bij 'literatuur' of 'sagen en legenden' of zo; desnoods bij 'mythen'. Deze vertelling heeft met de werkelijkheid namelijk niet zo heel veel te maken. Maar dat doet niets af aan jouw signalering van een historisch fenomeen.

    Het tweede gedeelte van mijn reactie richtte zich op de meer rechtshistorisch georiënteerde bijdragen van Robijns aan de geschiedenis van toverij en hekserij in Belgisch-Limburg. Die zijn waardevol en daarom gaf ik nog wat aanvullende gegevens.

    Meer in het algemeen wil ik je graag complimenteren met je 'belichting' van Robijns, die inderdaad jouw, maar ook ónze waardering waard is.
    Last edited by Ingrid M.H.Evers; 6 augustus 2010, 19:10. Reden: uitbreiding tekst

    Leave a comment:


  • El Loco
    replied
    Ik denk dat Ingrid alleen maar wil vermijden dat ze straks een nieuwe Maastrichtse mythen moet gaan schrijven, Breur. En ja, die heksenprocessen zijn helemaal haar territorium, dus dan wordt je al gauw wat 'territoriaal'.

    Verder is dit natuurlijk gewoon een forum waar alle bijdragen welkom zijn. We zijn hier altijd erg goed geweest in het afdwalen om dan uiteindelijk toch weer bij het oorspronkelijke onderwerp uit te komen.

    Ik heb Jef Moers benaderd. Afwachten of hij wat van zich laat horen. Verder ga ik volgende week een dagje in de bibliotheek zitten om uit te vissen wat Ds. Bax nou precies geschreven heeft.

    Leave a comment:


  • Breur
    replied
    Je weet wel mensen erg af te schrikken nog een goed bedoelde bijdrage te leveren. Voor mij betekent dit wellicht tot jouw grote opluchting een einde aan mijn bijdrage aan dit soort onderwerpen. Je had dit anders en positiever kunnen formuleren.

    Leave a comment:


  • Ingrid M.H.Evers
    replied
    Verhaal en realiteit

    Oorspronkelijk geplaatst door Breur Bekijk bericht
    Bij nacht en ontij … Metje, de heks van Millen
    Ludo Melard.
    Deze vertelling is een volksverhaal en heeft geen historische waarde. Het is jammer dat de vertelling hier wordt opgevoerd, want we hebben het hier over écht gebeurde gruwelen, niet over een literaire sage of legende, hoezeer die ook op de werkelijkheid gebaseerd kan zijn geweest.
    Oorspronkelijk geplaatst door Breur Bekijk bericht
    In Millen werd in 1573 de heks Catharina, echtgenote van Johan Gylis, de schrijnwerker, veroordeeld en verbrand. Volgens O. Robijns zou deze Catharina de bijnaam Metje gedragen
    hebben, hoewel de auteur toch suggereert dat het toponiem Metje Patershagen de naamgeving beïnvloed kan hebben.
    Bibliografie: O. Robijns, Metje, de heks van Millen. In: Limburg, jrg. VII (1927)
    Robijns artikel uit 1927 heb ik niet in huis, waarschijnlijk vanwege de volksverhaalachtige achtergrond. Ik heb me bij mijn onderzoek immers steeds gericht op traceerbare juridische gronden.
    Robijns heeft in het tijdschrift Limburg verschillende artikelen over dit onderwerp gepubliceerd: in 1922-23 over processen in het Graafschap Loon; in 1923-24 over vonnissen en lijfstraffen, onder meer inzake toverij; in 1930-31 over werkelijk gebeurde toverijprocessen in de heerlijkheid Millen in 1573.

    In het laatste artikel - circa vier jaar na zijn eerste, meer volkskundige bijdrage over Millen - spreekt hij van drie terechtstellingen in die plaats: ene Marije, afkomstig uit Wonck (een dorp onder de heerlijkheid Millen) en ene Leyse (idem) die beiden omstreeks 1573 de doodstraf kregen, en Catharina Gylis uit Millen. Waaruit de doodstraf van de eerste twee precies bestond, is mij niet bekend. Catharina werd op 6 juli 1573 verbrand. Zij had haar 'misdaad' uiteindelijk ook bekend. (Bron: O. Robijns, 'Heksenprocessen te Millen in 1573', in: Limburg 12 (930-31) 81-88.
    Last edited by Ingrid M.H.Evers; 5 augustus 2010, 20:08.

    Leave a comment:


  • Ingrid M.H.Evers
    replied
    Voorstelling misdaden 'heksen'

    Oorspronkelijk geplaatst door Breur Bekijk bericht
    De voorpagina van een traktaat tegen hekserij uit 1591 toont de misdaden van de heks. We zien het vliegen op een bok of gaffel, het vernietigen van de oogst, kindermoord en de omgang met de duivel, vermomd als jongeling of met horens en bokkepoten.
    Zo'n tekening is altijd weer interessant. Ik heb zeven meter heks- en toverij(proces)literatuur staan, maar mij ontbreekt momenteel de tijd om uit te zoeken waar deze voorstelling precies uit is overgenomen. Wel heb ik de indruk dat het eerder een Duitstalig, dan Nederlandstalig tractaat is.

    In de beschrijving van Breur zijn enkele oneffenheden geslopen, waarschijnlijk door onvolledigheden in de door hem gebruikte literatuur. Daarom hier nogmaals een beschrijving.
    Van links boven met de klok mee: 'heksen' op weg naar de heksensabbath [de gaffel als vervoermiddel was in Nederland volgens mij onbekend], een toveres die weer maakt [oproepen van slecht weer, met als gevolg het mislukken van de oogst], een toveres die praat/verkeert met haar persoonlijke 'boel' (vrijer, in dit geval: duivel), een toveres die in een kookpot toverzalf maakt met onder meer een kind als ingrediënt [evenmin een 'Nederlands' element], de individuele aanbidding van de (hoofd)duivel. De wat vage achtergrond achter de twee figuren rechtsonder en onder de weermaakster kan ik niet meteen thuis brengen. Het kan net als het bos rechtsboven en de grote rookwolken middenonder gewoon 'opvulling' van de prent zijn geweest. Mogelijk was het ook een 'muurtje' of 'afscheiding' in het 'stripverhaal'.

    Een autoriteit inzake de verbeelding van toverij en hekserij in Nederland is de kunsthistorica Machteld Löwensteyn (Amsterdam), ook wel geschreven als Löwenstein. Een vroeg artikel in: Marijke Gijswijt-Hofstra en Willem Frijhoff (eds.), Nederland betoverd, toverij en hekserij in Nederland van de veertiende tot in de twintigste eeuw, Amsterdam 1987, 133-147, noten: 297-299.
    Last edited by Ingrid M.H.Evers; 6 augustus 2010, 17:28. Reden: uitbreiding tekst

    Leave a comment:


  • Breur
    replied
    Ter lering ende vermaak.

    Bij nacht en ontij … Metje, de heks van Millen
    Ludo Melard


    Een grote ketel hing boven het vuur onder de grote open schouw. Een felle damp schoot uit de ketel op. Men had de buik opengesneden van het laatste paard dat kapot gegaan was, de
    ingewanden eruit gehaald en deze lagen thans in de grote ketel te braden en te kissen.
    Vier jonge mannen waren rond het vuur geschaard elk met een eik in de hand. Aldus was het voorschrift geweest van Paul van den Dries, die de naam had van in heksenzaken meer te
    weten dan anderen, en die ten stelligste verzekerd had dat men de heks op klokslag 12 uur middernacht langs de schouw zou zien nederdalen, mits men zijn raad stipt opvolgde.
    Stilzwijgend zaten onze jonge mannen daar de wacht te houden. Kloeke kerels waren het die zo het gevaar durfden tarten. Want wat ging er gebeuren en wat zouden de gevolgen zijn? Want
    met een heks zijt ge nooit zeker van hetgeen u overkomen kan. Het noodlottige uur naderde. Elf uur ..., half twaalf …, kwart voor twaalf … nog vijf minuten en toen begon de klok hare bange
    slagen, een, twee, drie …, elf, twaalf.
    De mannen rond het vuur verbleekten, alle rezen op alsof eenzelfde hand hen van hun stoel had opgelicht, want ze hoorden alle vier heel duidelijk een eigenaardig geruis in de schouw,
    een gesteun en gekreun als van iemand die lijdt en toen … ja, toen stond ineens daar voor hen, zwevende boven de ziedende ketel, Metje … cMetje Krickel met lijf en ziel, het oud
    scharminkel, de eigen, bloedeigen moeder van de rode Peter die een der wachters was met zijn eiksken rond het vuur.
    De jongen was meer dood dan levend, zijn benen knikten tegeneen en hij zakte ineen, terwijl hij deze woorden uitstiet: “Jezus, Maria, Jozef, zijt gij dat Metje?” De heilige woorden waren
    nauwelijks uitgesproken, of siss, siss … ging het door de schouw en de heks was spoorloos verdwenen.
    ’s Anderendaags had men rode Peter, op zijn zondags gekleed, met een pakje klederen onder de arm, langs een zijpad het dorp zien verlaten. Nooit zag men de jongen nog weer. Hij
    was naar verre streken vertrokken om de schande te ontkomen nagewezen te worden als de zoon van een heks.

    Twee dagen na deze wonderbare ontdekking der toverkol werd zij door de gerechtsboden aangehouden en gevangen genomen. Een streng onderzoek werd ingesteld naar de wandaden door
    de heks bedreven. Twaalf getuigen - om een heks te mogen vonnissen moesten er ten minste twaalf zijn - werden opgeroepen en allerhande misdrijven kwamen aan het licht, toe te schrijven
    aan de toverkunst van Metje. De zaak scheen klaar, Metje was een heks en had omgang met de duivel, er bleef de rechters niets over dan de straf uit te spreken.
    Zij werd veroordeeld om levend verbrand te worden. Deze trieste bestraffing zou te Millen zelf voltrokken worden.
    Op een bepaalde dag zou Metje dan naar de strafplaats gevoerd worden, ter plaatse genoemd Paters Hagen, langs de Oude Steenstraat. Dat Metje slecht te vertrouwen was en, ofschoon de
    dood nabij, nog aan haar duivelse zwarte kunst geen vaarwel had gezegd, blijkt uit de voorzorg die men verplicht was te nemen om aan haar kwade hand te ontkomen. Er werd aan de
    voerman, die de heks zou wegvaren, streng opgelegd geen gesprek met haar aan te gaan. Zoniet, stond hij aan groot gevaar bloot, want het zou het grootste genoegen zijn van het helse wijf
    om, alvorens te sterven, iemand nog een kwade part te spelen. Indien hij toch een antwoord gaf, moest hij ervoor zorgen de heks door zijn snedigheid schaakmat te zetten.
    Metje babbelde tegen de voerman om hem aan het spreken te krijgen, doch de man was te voorzichtig om haar te woord te staan en liet de heks maar voortpraten. Slechts één antwoord gaf
    hij haar, dat door de overlevering trouw bewaard bleef, omdat het volk dit antwoord waarschijnlijk zo buitengewoon gevat vond.
    Op zeker ogenblik zei Metje: “Het zal vandaag hitsig worden”, waarop de voerman gepast antwoordde: “Dat zal uw gat gewaar worden”. De heks onderging haar vreselijke straf en
    sindsdien is haar naam gehecht gebleven aan de plaats waar de strafuitvoering plaats had, want die heet nog Metje Patershagen.
    Toen enige tijd na de strafuitvoering enkele mannen ’s nachts om twaalf uur daar voorbij kwamen, zagen zij uit de grond een vlam opkomen net op de plaats waar de heks verbrand was.

    Oswald Robijns tekende deze verhalen op in Millen, waar hij indertijd vele jaren pastoor was; hij is nu misschien vrij onbekend maar deze man heeft grote verdiensten want hij was het die het
    tijdschrift Limburg lanceerde en boven het water hield. In dat tijdschrift publiceerde hij bovenstaand verhaal.
    In zijn boek “Volksverhalen uit Belgisch Limburg”, tekent F. Roeck hierbij aan: “Het snedige antwoord op de vaststelling van de heks moet onbetwistbaar door het volk gekend zijn.
    Dit bewijst de sage uit Millen, hoewel nochtans duidelijk blijkt dat het verhaal in zijn aftakelingsstadium is getreden.”
    In deze sage schuilt iets van de galgenhumor, het grapjes maken voor de fatale voltrekking van het doodvonnis.

    In Millen werd in 1573 de heks Catharina, echtgenote van Johan Gylis, de schrijnwerker, veroordeeld en verbrand. Volgens O. Robijns zou deze Catharina de bijnaam Metje gedragen
    hebben, hoewel de auteur toch suggereert dat het toponiem Metje Patershagen de naamgeving beïnvloed kan hebben. De ironische verwijzing
    naar de hete dag houdt verband met de terechtstelling van Catharina die op 18 juli plaats had.
    Op 2 december 1576 werd de zoon van de schepen in een burentwist doodgestoken. De aanranders, onder wie zich een zekere Gylis bevond, sloegen op de vlucht. Was deze persoon
    de zoon van de terechtgestelde heks en wilde hij de vuurdood van zijn moeder wreken door de zoon van de schepen (rechter) te doden? We willen er wel op wijzen dat de zoon van de heks
    uit de sage ook voor altijd uit het dorp wegtrekt. Maar dat is een volgend verhaal.

    Bibliografie:
    O. Robijns, Metje, de heks van Millen. In: Limburg,
    jg. VII (1927).


    De voorpagina van een traktaat tegen hekserij uit 1591 toont de misdaden van de heks. We zien het vliegen op een bok of gaffel, het vernietigen van de oogst, kindermoord en de omgang met de duivel, vermomd als jongeling of met horens en bokkepoten.
    Bestanden bijvoegen

    Leave a comment:

Bezig...
X