Aankondiging

Sluiten
No announcement yet.

Slachthuis Maastricht

Sluiten
X
  • Filter
  • Tijd
  • Tonen
Clear All
nieuwe berichten

  • Slachthuis Maastricht

    DE VOORGESCHIEDENIS
    HET SLACHTHUIS AAN DE HELPOORT
    HET BESLUIT TOT DE BOUW VAN EEN NIEUW BEDRIJF

    Het ontstaan van slachthuizen in het algemeen, moet gezien worden als een gevolg van de voortschrijding en effectieve uitvoering der wetenschap.
    Toen men ging inzien, dat de besmettingsbron van een groot aantal ziekten van het menselijk lichaam gezocht moest worden bij het vee, dat het voor consumptie benodigde vlees leverde, was het te voorzien dat reeds in de tijd der Gilden pogingen gedaan werden, de mensen tegen deze gevaren te beschermen.
    Als wij de geschiedkundige boeken over onze stad hierop naslaan, ontdekken wij, dat onze gemeente reeds vóór de XIIIe eeuw in het bezit geweest moet zijn van een vleeshuis, gelegen aan de Plankstraat.
    De oude Latijnse benaming van deze straat "Vetus Macellum", evenals de vermelding van diverse huizen, waarvan de ligging vermeld staat als "retro macellum" en die eigendom waren van vleeshouwers, moeten volgens Jules Schaepkens van Riempst, in een van zijn hand verschenen publicatie uit 1907, deze veronderstelling bevestigen.
    Tot welk jaar dit vleeshuis (vleeshal) in gebruik was, staat evenals van zijn stichtingsjaar, niets definitief vast.
    Wel kon worden nagegaan, dat Maastricht in 1333 een nieuwe vleeshal bezat, die gebouwd was in een steegje, dat zich bevond tussen de "Grote Staat" en "Achter het Vleeshuis" — alwaar het voor consumptie bestemde vlees verkocht werd.
    Vanuit dit gebouw werd het vleeshouwersgilde gedurende lange jaren gedirigeerd.
    Hier was het Gildehuis (Luibe) op de bovenverdieping gevestigd, alwaar de Gouverneur of Gildemeester zetelde.
    Deze stond aan het hoofd van het gildebestuur, was belast met de administratie en de handhaving der gildeprvilegiën.
    De gildebesturen zelf benoemden Keurmeesters die beslisten over de toelating van nieuwe leden en toezicht hielden op de door hen verkochte waren.
    Hieruit kan worden afgeleid, dat toen reeds een zeker toezicht op de kwaliteit van het te koop aangeboden vlees werd uitgeoefend.
    Het gilde-lidmaatschap legde aan de leden bepaalde verplichtingen op, terwijl op niet naleving van de gildevoorschriften soms zware straffen gesteld waren, in de vorm van geldboeten, al of niet gecombineerd met andere verplichtingen, zoals bijv. een bidweg naar Rome, Santiago in Spanje, enz.
    Op deze wijze is de reglementering van het vleeshouwersambacht geregeld gebleven tot aan de Franse bezetting in 1794, toen de gilden ontbonden werden en hun rechten en privilegiën aan de Staat vervielen.
    De periode na de gildetijd, die als een zeer ongereglementeerde in onze geschiedenis bekend staat en als gevolg van de hoge requisities, enz. een algemene verarming ten gevolge had, duurde tot 1799.
    Na de bekende staatsgreep van Napoleon op 9 November 1799, volgde reeds vóór het einde van datzelfde jaar de afkondiging van een nieuwe grondwet, die de gehele rechtspraak alsook de voorschriften op ieder ander gebied in nieuwe banen zou leiden.
    Onder de invloed van deze algemene omwenteling, zou ook de vleescontrôle een totale wijziging ondergaan.
    De methode van controle bij verkoop, zoals deze in de gildetijd gebruikelijk was, werd vervangen door controle bij de bron, onmiddellijk nadat het slachten had plaats gevonden.
    Met de invoering van dit systeem won de gedachte aan centraal slachten in daartoe aangewezen slachtplaatsen, ook bij de bestuurderen van onze gemeente, steeds meer veld, hetgeen tot gevolg had, dat in 1824 een gemeentelijk slachthuis geopend kon worden, dat naar doelstelling en inrichting reeds op diverse onderdelen overeenstemming vertoonde met het huidige begrip van Openbaar Slachthuis.
    Het gebouw waarin dit nieuwe gemeentebedrijf werd uitgeoefend, lag ten zuiden van de stad, buiten de Helpoort aan de rivier de Jeker.
    Door deze ligging was het mogelijk de afvoer van bloed, mest en afgekeurde organen direct via het riolenstelsel op de rivier te lozen, in de bij de Maastrichtenaren zo zeer bekende bloedbak, die hieraan zijn naam te danken heeft.
    In dit bedrijf, werd het slachten en keuren van alle soorten vee, met uitzondering van varkens, reeds direct bij de opening verplichtend gesteld.
    Ofschoon de aldaar gevolgde methoden en de aldaar heersende toestanden nog in het geheel niet overeenstemden met onze huidige begrippen van hygiënisch slachten en deskundig keuren, was met dit bedrijf toch een zeer grote stap in de goede richting gezet.
    Dank zij de vooruitgang van de veterinaire en medische wetenschappen, kon de verbetering van keuringsmethoden in het belang van de volksgezondheid een gestadige vooruitgang boeken.
    In 1849 werd het eerste "reglement (verordening) op de keuring en het debiet van slachtvee en penserijen" afgekondigd, dat spoedig door meerdere voorschriften en verordeningen gevolgd zou worden.
    In 1860 werd op last van het gemeentebestuur door de Rijksveearts A. Petry te Luik een leercursus voor keurmeesters samengesteld, waarmede ook voor de keuring een hechtere basis gelegd werd.
    Met de keuring zelf waren toen belast de conciërge-keurmeester van het slachthuis en de stadskeurmeester (beide functionarissen waren gerecruteerd uit het plaatselijk politiekorps: de agenten-vleeskeurders), aan wie ook het toezicht op de naleving van de bepalingen der verordeningen was opgedragen.
    De bevoegdheid tot het afkeuren van gehele dieren was uitsluitend verleend aan een tweetal in de gemeente gevestigde gediplomeerde veeartsen, terwijl herkeuringen opgedragen waren aan de veearts, die ook de eerste keuring verricht had, de marktmeester (tevens beëedigd keurder) en een hoofdagent-keurder.
    Enerzijds als gevolg van de vooruitgang der techniek en anderzijds door het langdurige en intensieve gebruik van dit veel te kleine slachthuis, waren na een ruim 50-jarig gebruik, zowel gebouw als inrichting sterk achteruitgegaan, terwijl juist in die tijd de volkshygiëne hogere eisen aan een slachthuis ging stellen.
    Dit had ten gevolge, dat in 1876 de Prov. Gezondheidscommissie de aandacht van het gemeentebestuur op deze toestand vestigde en aandrong op verbetering van het bestaande of op bouw van een geheel nieuw slachthuis.
    Bij een klein gedeelte van de leden van de gemeenteraad, vond dit streven reeds direct steun, het overgrote gedeelte echter achtte de kwestie nog niet zo urgent.
    Desondanks werd in 1878 aan de stadsingenieur opdracht verstrekt tot het maken van plannen met begroting van kosten, voor verbetering van het bestaande bedrijf.
    Deze functionaris maakte bij ontvangst van de opdracht echter alreeds de opmerking, dat de beschikbare plaatsruimte van het bestaande slachthuis veel te klein was om daarop een modern bedrijf te ontwerpen, hetgeen voor de voorstanders aanleiding was om steeds sterker op de bouw van een nieuw bedrijf aan te dringen, welk streven na eindeloze raadsdebatten in 1883 gedeeltelijk bekroond werd met de benoeming van een speciale raadscommissie, belast met het zoeken van een emplacement voor een nieuw slachthuis.

    Bron: Vijftig jaren slachthuis
    1901 - 1951
    Openbaar slachthuis der gemeente Maastricht.
    Uitgeverij "Veldeke" Maastricht.
    Last edited by SJEF †; 25 juli 2010, 14:50. Reden: Wijziging tekst
    Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
    Thomas More

  • #2
    Slachthuis Maastricht

    WAAR ZAL MEN HET NIEUWE BEDRIJF VESTIGEN?

    Had de beslissing over het wel of niet bouwen van een nieuw slachthuis reeds vele discussies in de gemeenteraad uitgelokt; het bepalen van de plaats waar men het zou gaan bouwen heeft zo mogelijk nog meer tongen van onze vroede vaderen van destijds losgemaakt.
    Zoals reeds vermeld werd in de vergadering van 24 November 1883 een commissie van 5 raadsleden benoemd, bestaande uit de heren M. J. Marres, voorzitter, Dr F. E. Fouquet, rapporteur, L. H. van Aubel, J. M. Rutten en A. Pieters, leden, die opdracht hadden om alle aangelegenheden, het nieuw te bouwen slachthuis betreffende, te onderzoeken en de Raad te rapporteren.
    Het afwegen van de diverse belangen; het verzet uit de belanghebbende kringen en zelfs de innerlijke verdeeldheid van de leden onderling waren oorzaak dat het tot 27 November 1895 zou duren, voordat de commissie haar definitieve rapport bij de gemeenteraad kon aanbieden.
    Na deskundig onderzoek van diverse terreinen en bezichtiging van een geheel nieuw gebouwd slachthuis, waartoe de leden zich voornamelijk oriënteerden naar het toen reeds in Duitsland tot stand gebrachte, was de Commissie van oordeel dat in de gemeente Maastricht slechts een tweetal terreinen voor de bouw in aanmerking kon komen, n.l.:
    1e. Een terrein gelegen in Wijk, op de oostelijke oever van de Maas, ten Noorden van de stad, buiten de St. Maartenspoort.
    2e. Een terrein aan de Boschpoort, op de westelijke maasoever eveneens ten Noorden van de stad gelegen.
    Ook de verbouwing en modernisering van het oude slachthuis was door de commissie in ernstige mate overwogen.
    De te geringe omvang van het terrein; de hoge kosten van verbouwing, als gevolg van de noodzakelijke overbrugging van de rivier de "Jeker", alsmede de ligging van het terrein in het centrum van de stad aan een der voornaamste toegangswegen tot het zich reeds sterk uitbreidende villapark, waren oorzaak dat zij van deze plannen geheel afzag.
    Ook aan het ter sprake gebrachte terrein aan de Boschpoort waren volgens de commissieleden nadelen verbonden, zodat alleen het reeds genoemde perceel buiten de St. Maartenspoort als het ideale aangemerkt werd en als zodanig dan ook voorgesteld.
    Het bekend worden van de inhoud van bovengenoemd rapport veroorzaakte onder de belanghebbenden in de gemeente echter een zodanige deining, dat dit voor de Burgemeester aanleiding was, reeds in de raadsvergadering van 18 Januari 1896, buiten de vastgestelde agenda om, aan de raadsleden mededeling te doen van een 6 tal binnengekomen adressen, waarvan in het bijzonder genoemd zijn, dat van de heer W. L. Vlaisoir en 491 anderen, die hunne belangen bedreigd voelden door een eventuele verlegging van het slachthuis en daarom verzochten, zo de vergroting dan toch noodzakelijk was, deze op dezelfde terreinen te doen plaatsvinden.
    Het andere adres was afkomstig van de spekslagersvereniging, die een persoonlijk onderhoud van haar bestuursleden met de leden van de gemeenteraad wensten, teneinde hun bezwaren naar voren te kunnen brengen, alvorens de raad een definitieve beslissing zou nemen om ook het slachten van varkens in het nieuwe slachthuis verplichtend te stellen.
    Dit adres was dus van een geheel andere strekking dan het voorgaande.
    Richtte het eerste zich tegen de plaats van het nieuwe bedrijf, het tweede was in hoofdzaak tegen de omvang gericht.
    Het was derhalve niet te verwonderen, dat zich rond deze adressen ook thans wederom een levendige raadsdiscussie ontspon, waarin de voorstanders van een nieuw slachthuis, die een definitieve beslissing gaarne zo spoedig mogelijk genomen zagen, ook thans wederom in de minderheid bleven.
    Het resultaat van de urenlange discussies was dat de slachthuiscommissie wederom enige archiefstukken rijker en de definitieve beslissing ook ditmaal wederom uitgesteld werd.


    Plattegrond slachthuis

    Alle ondernomen tegenacties ten spijt, hebben de voorstanders voor de bouw van een nieuw abattoir, bestemd en ingericht voor het slachten van alle soorten vee (dus ook varkens) aan hun plannen weten vast te houden.
    De notulen van practisch iedere volgende raadsvergadering maken melding van de slachthuis-aangelegenheden, hetgeen bewijst met welk élan de voorstanders hun plannen wensten door te zetten.
    Het moet dan ook als een ware bekroning van hun streven gezien worden, toen voor 15 September 1897 een raadsvergadering uitgeschreven werd, waarbij punt 1 van de 2 punten tellende agenda vermeldde:
    "Slachten der varkens in het gemeentelijk slachthuis."
    Weliswaar zou de hieromtrent te nemen beslissing nog niet tot de definitieve bouw van een nieuw slachthuis strekken, doch wel zou het de impasse, waarin deze zo belangrijke zaak geraakt was, voor een gedeelte doorbreken.
    Urenlange discussies zouden ook ditmaal aan de uiteindelijke goedkeuring voorafgaan, waarbij vooral de heer P. M. Rongen als tegenstander en de heren Dr E. Scheinemacher, Dr F. E. Fouquet en M. J. Marres als voorstanders fungeerden.
    Met het in stemming brengen van het volgende voorstel van de Voorzitter kon de kwestie uiteindelijk tot een goede oplossing gebracht worden.
    "De raad der gemeente Maastricht besluit, dat, wanneer tot de houw van "een nieuw slachthuis wordt besloten, deze inrichting ook zal bestemd zijn "voor het slachten van varkens."
    Tegen de verwachting in werd dit besluit, met alleen de heer Rongen als tegenstemmer, aangenomen.
    Thans zou wederom ruim een jaar gaan verlopen voordat de volgende phase ter sprake kon komen, die uiteindelijk dan de definitieve beslissing tot de bouw brengen moest.
    Op Dinsdag 29 November 1898 waren onze vroede vaderen wederom ten stadhuize verenigd, ter behandeling van het thans enige agendapunt voor deze dag, luidende:
    "Voorstel tot het oprichten van een nieuw Slachthuis."
    Na voorlezing en kennisneming van diverse ingekomen adressen en requesten van voor- en tegenstanders van de reeds bekende vestigingsplaatsen, deed de heer Ferd. van Oppen, Wethouder van Openbare Werken, als rapporteur van B.& W., voorlezing van een uitgebreid rapport van het gemeentebestuur aan de raadsleden, waarin voorgesteld werd tot de bouw van een nieuw slachthuis over te gaan op de terreinen buiten de St. Maartenspoort te Wijk.
    Ook ditmaal waren de meningen wederom zeer verdeeld zodat ook thans door de Voorzitter, staande de vergadering, een tussenvoorstel moest worden gedaan hetgeen afzonderlijke stemming inhield voor vestiging van een nieuw bedrijf op de terreinen waar het oude bedrijf reeds gevestigd was en dat vervolgens de beide overige vestigingsplaatsen in stemming bracht.
    Het eerste voorstel werd met 13 tegen 10 stemmen verworpen.
    Bij het 2e voorstel bleken 13 leden voor het terrein buiten de Boschpoort te zijn, terwijl 10 leden zich voor het terrein buiten de St. Maartenspoort uitspraken.
    Hiermede was na 22 jaar strijd beslist over de toekomst van het oude slachthuis.


    Het linker gedeelte was bestemd voor het slachten van groot vee.
    Het rechter gedeelte was bestemd voor het slachten van varkens.
    In de kelders waren de machines voor de koeling.


    Bron: Vijftig jaren slachthuis
    1901 - 1951
    Openbaar slachthuis der gemeente Maastricht.
    Uitgeverij "Veldeke" Maastricht.
    Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
    Thomas More

    Opmerking


    • #3
      Slachthuis Maastricht

      Slachthuis Maastricht.

      Het Openbaar of Gemeentelijke Slachthuis, tot 1990 nog op de hoek van de Commandeurslaan en de Fransensingel gelegen, is nog zo’n bedrijf dat zonder een spoor na te laten uit het landschap is verdwenen.
      In boekwerken over de Maastrichtse industrie zul je er amper iets over aantreffen en voor een foto zul je goed moeten zoeken.
      De papieren nalatenschap van het Slachthuis is echter niet gering.
      27 Meter archief liggen er bij het Regionaal Historisch Centrum Limburg (vroeger Rijksarchief) te wachten op iemand die iets met dit interessant historisch materiaal gaat doen.

      De "Bloodbak"
      Tijdens de Franse overheersing werd het om hygiënische redenen verboden vee in de stad te slachten.
      In 1824 verscheen er bij de Helpoort op de plaats waar voorheen het pesthuis – niet te verwarren met de oude papiermolen die ten onrechte vaak het pesthuis genoemd wordt – gestaan had een nieuw slachthuis.
      Niet voor niets bij de Jeker die kon dienen als afvoer van het afval van de slachterij naar de Maas.
      Kadavers die stroomafwaarts in de Maas aangetroffen werden, bleken al eens afkomstig van het slachthuis te zijn.
      In 1850 bij de aanleg van het kanaal Maastricht – Luik verdween de open verbinding van de Jeker en de Maas.
      Het gevolg was dat in de bak vóór de duiker die het Jekerwater onder het kanaal door voerde, alles bleef hangen en het water vaak rood gekleurd was van het bloed van de geslachte dieren.
      De Maastrichtenaren noemde het al snel de "Bloodbak", een naam die nog gebezigd werd tot aan de demping van het kanaal.
      Het slachthuis was toen al meer dan zestig jaar weg.


      Bloodbak

      Openbaar slachthuis
      Vijftig jaar na het ontstaan van het slachthuis bij de Helpoort waren de klachten over onhygiënische toestanden en stankoverlast zo groot dat er al gedacht werd aan een nieuw slachthuis aan de rand van de stad.
      Het zou nog tot 1901 duren voor dat er kwam.
      Op 15 december 1901 werd op de Fransensingel het modernste slachthuis van Nederland geopend.
      De spekslagers waren er in aanvang niet blij mee.
      Het was vanaf nu afgelopen met het thuis slachten van varkens.
      Bij oude slagerspanden zie je aan de voorkant vaak nog ijzeren ringen in de muur waar het varken de dag vóór de slachting aan bevestigd werd.
      Het aantal slachtingen in het nieuwe slachthuis liep al snel tot in tienduizenden per jaar.
      Een piek werd bereikt in 1930 toen er 39.000 slachtingen waren.
      Een dieptepunt was er aan het einde van de Tweede Wereldoorlog: 6.000.
      In 1950 waren het er weer 25.000.





      Vleesindustrie
      In het begin konden de slagers nog hun eigen varkens en vee in het slachthuis slachten.
      De slagers kwamen er echter ook achter dat het vlees dat ze voor hun winkel nodig hadden evengoed elders konden bestellen.
      Ze hoefden er zelf niet veel meer aan te doen.
      Ze bestelden gewoon wat ze nodig hadden.
      De vleesindustrie was in opkomst.
      Gevestigd in de gebieden waar de dieren vandaan kwamen en met moderne apparatuur en opgeleide vakmensen was ze al snel een grote concurrent van de slachthuizen.
      Eind zeventiger jaren van de twintigste eeuw kwam het Gemeentelijk Slachthuis ernstig in de problemen.
      De slachtingen waren flink terug gelopen maar toen de inkomsten uit vleeskeuringen vanaf 1977 ook nog wegvielen – door de koelwagen hoefde vlees van elders aangevoerd niet meer herkeurd te worden - dreigde de gemeente er jaarlijks enige tonnen in te moeten steken.
      Op 1 januari 1980 ging het Slachthuis dan ook dicht.
      De 80 werknemers kwamen niet allemaal op straat te staan.
      Het bedrijf werd Ã* 80.000 gulden per jaar voor een periode van 10 jaar verhuurd aan een vleesverwerkend bedrijf zodat een deel van het personeel aan de slag kon blijven.



      Papierfabriek
      De aangrenzende papierfabriek aasde reeds vanaf 1979 op het slachthuis plus bijbehorende terreinen.
      De gemeente had hier nog geen oren naar maar toen het contract met het vleesverwerkende bedrijf na 10 jaar jaren verlopen was, was de verkoop aan de KNP snel beklonken.
      Die liet er geen gras over groeien.
      In januari 1990 werd het Slachthuis in twee dagen tijd met de grond gelijk gemaakt.
      Als je ziet hoe zorgvuldig er tegenwoordig met industriële complexen omgesprongen wordt dan zou zo’n interessant complex als het Slachthuis thans zeker niet meer zo snel gesloopt worden.

      Bron tekst: Stichting Leefbaar Boschpoort - Boscherveld.
      http://www.slbb.nl/ .
      Bron afbeeldingen: internet en privé collectie SJEF.
      Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
      Thomas More

      Opmerking


      • #4
        Slachthuis Maastricht

        Een ossenkop aan de gevel

        Auteur(s): Jean Jacobs, wethouder van cultuur te Maastricht

        'Mijn vader was een sobere man van weinig woorden.
        Opgegroeid met hard werken, geld verdienen, diep gelovig en met belangstelling voor cultuur en erfgoed.
        Hij nam ons vaker mee naar het Bonnefantenmuseum dat toen nog gevestigd was in het gebouw aan de Ezelmarkt, waar nu het visitorscenter is van de universiteit van Maastricht.

        Daar zagen we als kinderen indrukwekkende zaken die opgegraven waren in de stad.
        Het was ook de tijd waarin de lamentabele discussie woedde rond de kruisweg van Aad de Haas.
        Als in een soort van ballingschap bevond zich dit opmerkelijke kunstwerk aan de muren van een gang van het museum.

        In die tijd (begin vijftiger jaren van de vorige eeuw) had mijn vader enkele, door mij moeilijk te doorgronden gesprekken op de binnenplaats van het museum met de conservator over een grote vierkante klomp graniet die daar in de buitenlucht lag.
        Een dikke rechthoekige plaat met een onduidelijk reliëf met twee gaten erin.

        Korte tijd later lag die klomp graniet bij ons thuis in een hoek van de binnenplaats.
        Het lijvige voorwerp heeft naar mijn gevoel daar jaren gelegen.
        Als ik de tijd die dat geduurd heeft nu reconstrueer, kan dat maximaal een jaar geweest zijn.

        Op een dag stonden er enkele ladders tegen de gevel van het winkelpand waarin we woonden en waarin sinds een paar generaties mijn familie een slagerij dreef.
        (Brusselsestraat 31).
        Vraag me niet meer hoe dat in die tijd ging, maar met veel gesjor en geroep werd de steenklomp van het museum ter hoogte van de eerste verdieping gehesen en uiteindelijk in de gevel van het huis ingemetseld.

        Nog altijd was niet te zien wat daar aangebracht was.
        Totdat iemand in een schildersoverall een deel van het reliëf met bladgoud bedekte en in de gaten de twee grote stierenhoorns bevestigde die de slagersknecht had meegebracht.

        Vanaf dat moment hadden we een ossenkop aan de gevel, een heuse gevelsteen.
        Vanaf toen heette ons huis 'In de Gouwe Ossekop'.
        Pas jaren later herinnerde ik me dat mijn vader, die intussen was overleden, me ooit vertelde dat het de gevelsteen van het oude slachthuis was geweest.
        Toen heb ik nog een tijd gemeend dat het om het slachthuis aan de Franssensingel ging, maar uiteindelijk bleek dat het het huisteken was van het middeleeuwse slachthuis van Maastricht.
        Dat slachthuis was gevestigd op de plaats waar nu de winkel van Jamin is, op de hoek van de Grote Staat / Kleine Staat, schuin tegenover het Dinghuis.
        Er bestaat nog een oude tekening van Philip van Gulpen waarop de gevel van dit gebouw te zien is en in die gevel prijkt onze ossenkop!

        Hoe het verder afliep met de Gouwe Ossekop?
        Hij zit nog altijd in de gevel van het huis dat nu een studentensocieteit herbergt.
        Lange tijd hebben de studenten hun historisch huismerk onwetend verwaarloosd.
        Zo was eerst een hoorn weg en verdween later de andere.

        Uiteindelijk werd de nobele kop opgepoetst en voorzien van nieuwe hoorns.
        We zouden daar verheugd over moeten zijn.
        We zijn dat zeker over zoveel zorgzaamheid voor dit kleine monumentale element.
        Maar pikzwarte kunststof hoorns?
        Mwah!'

        Bron: Zicht Op Maastricht.

        ==================================



        Het voormalige huis van het slagersgilde.
        Duidelijk is de gevelsteen met de ossenkop te zien.

        Bron afbeelding: DSM kalender 1978
        In het voetspoor van Ph. G. J. van Gulpen.
        Last edited by SJEF †; 26 juli 2010, 11:58. Reden: toevoeging afbeelding en informatie
        Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
        Thomas More

        Opmerking

        Bezig...
        X