Aankondiging

Sluiten
No announcement yet.

Onze Lieve Vrouwe Sterre der Zee

Sluiten
X
  • Filter
  • Tijd
  • Tonen
Clear All
nieuwe berichten

  • Onze Lieve Vrouwe Sterre der Zee

    Maastricht als bedevaartplaats.

    O.L. Vrouw Sterre der Zee / O.L. Vrouw van Maastricht.
    Parochiekerk van O.L. Vrouw Tenhemelopneming (Basiliek O.L. Vrouw Sterre der Zee).

    Inleiding.
    Vanaf omstreeks 1525 werd in de kerk van de minderbroeders aan de Sint Pieterstraat door de inwoners van Maastricht en pelgrims uit de (wijde) regio een miraculeus Mariabeeld vereerd.
    Tijdens de Nederlandse Opstand en ook gedurende de periode daarna moesten de franciscanen met het beeld meer dan eens onderduiken.
    Aan het einde van de 17e eeuw verwierf O.L. Vrouw van Maastricht de titel 'Sterre der Zee'.
    Tot 1678 stond de cultus tevens bekend om de boeteprocessie op Tweede Paasdag; in de 18e eeuw werd nog slechts een kleine processie gehouden in de kloostertuin en een stille omgang door de stad langs de oude processieroute.
    In 1837 werd het beeld geplaatst in de O.L. Vrouwekerk; in 1903 kreeg het daar de huidige plaats in de M?rodekapel.
    Hier vormt O.L. Vrouw Sterre der Zee - beschermvrouwe van de stad Maastricht - nog steeds het centrum van een massale en continue Mariaverering met als jaarlijks hoogtepunt de processie op Tweede Paasdag.


    Minderbroederskerk.
    Een belangrijke wortel van de Mariaverering in Maastricht ligt bij de paters franciscanen.
    Deze minderbroeders vestigden zich met toestemming van de bisschop van Luik reeds in 1234, acht jaar na de dood van hun stichter, Franciscus van Assisi, in Maastricht.
    Nog geen eeuw later, omstreeks 1300 of enkele jaren eerder, begon naast het klooster aan de Sint Pieterstraat, dichtbij het centrum en het leerlooierskwartier, de bouw van een kerk die omstreeks 1309 gereed kwam en omstreeks 1400 voorzien werd van een nieuwe Mariakapel aan de zuidzijde van het priesterkoor.
    De lotgevallen van dit gebouw, qua stijl een schoolvoorbeeld van de bloeitijd van de gotiek in de Maasgouw, zijn gevarieerd en dramatisch.
    Toen de kerk in 1485 dreigde in te storten, kreeg zij de haar kenmerkende steunberen.
    De kerk moet vele kostbaarheden bezeten hebben.
    Toen de Staatse troepen in 1578 de stad hadden bezet, moesten de paters voor het eerst Maastricht verlaten.
    Reeds een jaar later keerden zij terug; hun klooster troffen zij totaal verwoest aan, maar de kerk was behouden gebleven.
    Na dertig jaar was het klooster weer herbouwd.
    In 1638 dienden de franciscanen opnieuw hun klooster en de stad te verlaten nadat zij door de stadsoverheid waren beschuldigd van deelname aan een complot met de Spanjaarden.
    Zij trokken zich terug in het klooster 'ter Observanten' (Slavante) op de Sint Pietersberg.
    Nadat de Fransen in 1673 Maastricht hadden ingenomen, kregen de franciscanen van koning Lodewijk XIV toestemming zich weer in Maastricht te vestigen.
    Van 1699 tot 1705 bouwden zij aan de Tongersestraat, op de huidige Minderbroedersberg, een tweede klooster en kerk; in 1825 werd dit complex bestemd tot Paleis van Justitie.
    De eerste minderbroederskerk aan de Sint Pieterstraat werd tuighuis; in 1865 kreeg ze de functie van kazerne en oefenzaal voor soldaten.
    Spoedig daarna werd het gebouw bestemd tot Rijksarchief voor de provincie Limburg; ook het voormalige klooster werd in 1942 bij deze functie ingeschakeld.
    In 1996 werd de restauratie en aanpassing van het gebouwencomplex aan de archieffunctie voltooid.


    De Basiliek van Onze Lieve Vrouw.
    Volgens de legende zou St. Servatius in de vierde eeuw zijn bisschopszetel van Tongeren naar Maastricht verplaatst hebben.
    Het Romeinse castellum van Maastricht was kleiner en beter te verdedigen dan Tongeren.
    Servaas echter was een ambulante missiebisschop en het is de vraag of hij wel een vaste bisschopszetel had.
    Hij was immers niet bisschop van Tongeren (Tungrensis), maar van de Tongeren (Tung-rorum).
    Nochtans heeft de O.L. Vrouwekerk - wellicht vanaf de 4e eeuw - tot 722, toen St. Hubertus zijn zetel definitief verplaatste naar Luik, gefungeerd als kathedrale kerk.
    Reeds voor de komst van St. Servaas naar Maastricht stond op deze locatie, gelegen binnen een Romeins-christelijk castellum, een bedehuis dat, zo wordt wel eens zonder concrete aanwijzingen gesuggereerd, de plaats had ingenomen van een aan Diana gewijde tempel.
    Nadat St. Hubertus de bisschopszetel naar Luik had verplaatst bleef de O.L. Vrouwekerk de offici?le stadskerk van Maastricht; vanaf de vroege middeleeuwen functioneerde ze tevens als een soort stadhuis, waar het stedelijk archief was ondergebracht en waar ook de standaardmaten en gewichten werden bewaard. Bisschop Notgerus van Luik [970-1008] vestigde er een kapittel met twintig kanunniken.
    De bouw van de huidige laatromaanse kruiskerk is in 1018 gestart; enkele onderdelen van de oude kerk, met name de westelijk gelegen burchttoren van omstreeks 900, werden in de nieuwbouw opgenomen.
    De kerk was niet alleen zetel van het kapittel, maar fungeerde ook als parochiekerk.
    Toen de parochie te groot werd, besloot het kapittel in 1342 vlakbij de kapittelkerk een aparte parochiekerk te bouwen, toegewijd aan de H. Nicolaas, patroon van de schippers.
    Nadat de Franse sansculotten in 1794 Maastricht bezet hadden, werd het kapittel opgeheven, de kanunniken werden verspreid en de O.L. Vrouwekerk werd een militaire smidse.
    Van 1804 tot 1837 stond het Mariabeeld in de Nicolaaskerk, todat de kerk in 1837 wegens bouwvalligheid werd gesloopt; de O.L. Vrouwekerk werd teruggekocht van de staat en is sindsdien parochiekerk.
    In hetzelfde jaar werd het beeld van de Sterre der Zee naar de O.L. Vrouwekerk overgebracht, waar het werd gesteld op de plaats waar nu het Jozefaltaar staat, links van het koor, zoals op een tekening van Van Gulpen uit die tijd is te zien.
    Daarvandaan werd het genadebeeld in 1903 naar de huidige locatie, de gotische M?rodekapel, verplaatst.
    Deze kapel is omstreeks 1460 gebouwd door proost Arnoldus van M?rode tegen de noordzijde van de kolossale kerkgevel.
    De kapel is vanaf het O.L. Vrouweplein en vanuit de kerk toegankelijk en bestaat uit drie op elkaar volgende delen.
    Vanaf het O.L. Vrouweplein komt men in het portaal (het eerste deel), waar men kaarsen kan kopen en iets in het intentieschrift kan schrijven; tegen de wand (aan de kerkzijde) hangen enkele offerblokken met daarboven een bord waarop in 1999 de volgende tekst vermeld stond:
    'Bidweg t.e.v. de Sterre der Zee elke zaterdagavond aansluitend aan de H. Mis van 18.30 uur'.
    Via een open boogpoort komt men in een ruimte (het tweede deel) waarin enkele banken staan voor de vereerders; vooraan in deze ruimte staan standaards waar men de gekochte kaarsen kan opsteken.
    Vanuit deze ruimte, waarop de gotische kruisgang rond het pandhof uitkomt, kan men over de kaarsen heen door een tweede boogpoort (welke is afgesloten met doorzichtig plexiglas) het cultusbeeld zien met daarvoor een altaar (het derde deel van de kapel).
    De twee moderne glas-in-loodramen in de linkerwand van dit achterste gedeelte van de kapel zijn van Frans Slijpen; onder deze ramen hangt een zestal kasten met daarin enkele honderden zilveren of zilverkleurige ex-voto's.
    Elk van de drie delen waaruit de kapel bestaat, biedt toegang tot de kerk; gewoonlijk is alleen de toegang vanuit het portaal geopend.
    In de kapel bevinden zich tevens twee stenen reli?fs uit de 12e eeuw, een over de 'Eed op de relieken' en een met de triomferende Christus.
    Een stenen plaquette herinnert aan het bezoek van paus Johannes Paulus II in 1985.
    In 1933 is de O.L. Vrouwekerk door paus Pius XI tot Basilica minor verheven.
    Last edited by SJEF †; 28 oktober 2007, 14:11.
    Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
    Thomas More

  • #2
    Maastricht als bedevaartplaats

    De bidweg.
    Een belangrijke plaats binnen deze cultus wordt ingenomen door de zogenaamde 'bidweg', die volgens de legende door Maria zelf zou zijn aangewezen aan het begin van de 18e eeuw (zie bij Verering).
    De route ging van het (tweede) minderbroedersklooster in de Tongersestraat via de Bouillonstraat, Papenstraat, en Bredestraat naar het O.L. Vrouweplein, en vandaar via de Cortenstraat, Witmakerstraat en Kapoenstraat weer terug naar het klooster.
    Later, toen het beeld in de O. L. Vrouwekerk kwam te staan (vanaf 1837), was deze kerk begin- en eindpunt:
    O.L. Vrouwekerk, Cortenstraat, Witmakerstraat, Lenculenstraat, Bouillonstraat, Papenstraat, St. Jacobsstraat, Bredestraat, O.L. Vrouwekerk.
    In de loop van de tijd werden op verschillende locaties langs deze route Mariabeelden geplaatst, die echter later weer werden verwijderd.
    In 1943 werd, op initiatief van J. Froger en J. Brouwers opnieuw een Mariabeeldje geplaatst in een lege nis aan de Bredestraat.
    Dit initiatief kreeg bijval en tussen 1943 en 1950 werden in totaal negen beelden of beeldgroepen langs de bidweg geplaatst, de meeste in gevels van huizen.
    Het gaat om de volgende sculpturen (in de volgorde die J. Margry in 1950 aangeeft):
    1) een gevelbeeld (gebakken klei, in verschillende kleuren geglazuurd, 160 x 77 x 16 cm) 'O.L. Vrouw van den Goeden duik', met een voorstelling van Maria die enkele onderduikers onder haar mantel verbergt, op de achtergrond een bom en een vredesduif; deze keramiek die vervaardigd is door de Maastrichtse beeldhouwer Charles Vos (1888-1954), is in 1946 aangebracht op de hoek Cortenstraat-Koestraat.
    2) een gevelbeeld (gebakken aardewerk, in verschillende kleuren geglazuurd, 125 x 67 x 13 cm) 'Allerzuiverste Maagd bescherm uwe stad', eveneens vervaardigd door Charles Vos en in 1945 aangebracht op de hoek Witmakerstraat-Kapoenstraat.
    3) een (niet gekleurd) Mariabeeldje van de beeldhouwer Stoeltjes, aangebracht op de hoek Kapoenstraat-Lenculenstraat.
    4) een beeldje voorstellende Maria 'Zetel der Wijsheid', van de beeldhouwer Weerts, aangebracht op de hoek van de Lenculenstraat.
    5) een vrijstaand beeld (Pouillenay-steen, 300 x 112 x 58 cm) van de 'Heilige Moeder Gods', eveneens vervaardigd door Charles Vos en geplaatst in het plantsoen bij het voormalige Paleis van Justitie; op het hoge voetstuk zijn een aantal vereerders weergegeven en de tekst 'Toon dat gij onze moeder zijt'.
    6) een beeldje (geglazuurd aardewerk) van 'O.L. Vr. Sterre der Zee, Koningin van de Vrede', vervaardigd door Jean Sondereyker en aangebracht op de hoek St. Jacobstraat-Vrijthof.
    7) een piet? (Maulbronner zandsteen, 60 x 39 x 22 cm) van Charles Vos, aangebracht op de hoek Vrijthof-Bredestraat in 1946.
    8] een Mariabeeldje, 'O.L. Vrouw Hulp, der christenen', dat in 1943 als eerste werd aangebracht in een oude nis, maar later een andere plaats kreeg tegen hetzelfde pand in de Bredestraat.
    9) een gevelbeeld van 'O.L. Vrouw Allerheiligst Hart van Maria' (hardsteen, 80 x 18 x 18 cm), dat eveneens is vervaardigd door Charles Vos en is aangebracht op de hoek Bredestraat-O.L. Vrouweplein.
    10) na 1950 is nog een plaquette (gebakken klei, in verschillende kleuren geglazuurd) van Charles Vos aangebracht in de gevel van een huis in de Hondstraat, met een voorstelling van O.L. Vrouw Sterre der Zee ten halve en daaronder een zeilbootje in de woeste golven.
    Ook in de Limburgse plaatsen Simpelveld en Winthagen (bij Voerendaal) zijn kapellen opgericht die gewijd zijn aan O.L. Vrouw Sterre der Zee.
    In Simpelveld groeide de verering uit tot een nieuwe bedevaart.

    Last edited by Toller; 14 december 2014, 21:28.
    Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
    Thomas More

    Opmerking


    • #3
      Maastricht als bedevaartplaats

      Mariabeeld als cultusobject.
      Omstreeks 1309, toen zoals gezegd de bouw van de minderbroederskerk gerealiseerd was, ontvingen de franciscanen van het toen pas opgerichte gilde der leerlooiers een Mariabeeld.
      Omstreeks 1400 kreeg dit beeld een plaats in een afzonderlijke kapel aan de zuidzijde van de kerk.
      Er bestaat echter geen enkele aanwijzing dat dit beeld ooit als miraculeus is vereerd.
      Het huidige Mariabeeld is waarschijnlijk gemaakt in een Boheems atelier omstreeks 1425 en lijkt te horen tot de groep beelden die bestemd waren voor de huiskapel van vooraanstaande families en ook wel "Schone Madonna's" werden genoemd.
      Het houten beeld is 110 cm hoog, met voetstuk 130 cm.
      Omstreeks 1869 werd het voorzien van de huidige polychromie.
      Maria draagt het ongeklede Jezuskind op de linkerarm die (met de elleboog) op de heup steunt.
      Maria zelf is weelderig gekleed en draagt waarschijnlijk van het begin af aan een kroon; de kroon van het kind lijkt later geplaatst.
      Oorspronkelijk had zij in haar rechterhand een peer waarnaar het kind leek te grijpen; later werd de peer vervangen door een lelie die weer werd vervangen door een rozenkrans; eind 1997 is de rozenkrans vervangen door een groter (zilveren) exemplaar.
      Vereerders maakten verschillende mantels, die moeder en kind geheel kleden; in de advent- en de vastentijd draagt het beeld deze mantels niet.
      Het cultusbeeld werd omstreeks 1474, of enkele jaren eerder, aan de franciscanenkerk geschonken door ridder Nicolaas van Harlaer (1373-1474), die omstreeks 1456 (of later), als hoogbejaarde bij de franciscanen was ingetreden.
      Mogelijk had Van Harlaer het beeld zelf laten vervaardigen en het voor de schenking enige tijd in priv?-bezit gehad.
      Na zijn dood, op 101-jarige leeftijd, werd Van Harlaer, die tijdens zijn lange carri?re onder meer raadsman en opperhofmeester van de bisschop van Luik, Lodewijk van Bourbon, was geweest, bijgezet in een sarcofaag voor het Maria-altaar waarop het beeld stond.
      In 1639 moesten de franciscanen voor de Staatse troepen de stad ontvluchten; via het annunciatenklooster te Wyck, het franciscanenklooster op de Sint Pietersberg (Slavante’) en, vlak over de grens, de woning van een burger te Vis? (Be) werd het beeld in 1641 heimelijk naar het minderbroedersklooster in Tongeren overgebracht.
      Nadat Maastricht in Franse handen was gevallen, keerde het beeld in 1675 terug naar deze stad en kreeg het eerst enkele jaren een plaats in de St. Jacobskapel (hoek Vrijthof/Bredestraat), vanwaar het na de Vrede van Nijmegen [10 augustus 1678] weer werd overgebracht naar het oude franciscanenklooster in de Sint Pieterstraat.
      Tussen 1685 en 1700 verwierf het de eretitel 'Sterre der Zee'.
      Verbeek (1937) heeft aannemelijk gemaakt dat deze titel in gebruik kwam na een wonder in 1684, waarbij een schipbreuk op zee werd voorkomen dankzij de voorspraak van O.L. Vrouw van Maastricht.
      Dezelfde auteur heeft aangetoond dat de bewering dat het beeld reeds in de middeleeuwen door schippers die Maastricht op weg naar zee passeerden 'Sterre der Zee' werd genoemd, stoelt op latere legendevorming (zie bij Verering).
      Toen de tweede minderbroederskerk (aan de Tongersestraat) in 1700 gereed kwam, verhuisde het genadebeeld daarheen.
      De Franse Revolutie was er de oorzaak van dat het beeld tussen 1794 en 1804 afwisselend bij Maastrichtse families in veiligheid moest worden gebracht.
      In 1804 kreeg de Sterre der Zee een plaats in de St. Nicolaaskerk; toen deze kerk in 1837 moest worden afgebroken, verhuisde het beeld naar de naastgelegen O.L. Vrouwekerk, eerst in de kerk zelf, vanaf 1903 in de M?rodekapel.
      De parochie van O.L. Vrouw Tenhemelopneming is ook in het bezit van een getrouwe kopie van het miraculeuze beeld (hoogte 130 cm, gepolychromeerd gips, ca. 1950), vervaardigd door Firma G. Hack-Rutten te Maastricht.
      Dit beeld heeft in de periode 1950-1955 als cultusbeeld in de M?rodekapel gestaan, toen het miraculeuze beeld in een rondreis door heel Limburg werd gedragen.
      Reeds eerder waren enkele gipsen afgietsels van het cultusbeeld gemaakt, waarvan sommige elders een ereplaats hebben gekregen (o.m. de parochie van de H. Antonius te Haarlem, het Zeemanshuis te Rotterdam, de parochie van Johannes Capistrano te Wenen, Sind in Pakistan, Thabong (‘Welkom’) in Zuid-Afrika, Takoradi in Goudkust).
      In 1984 liet het kerkbestuur een nieuwe replica vervaardigen door het kunstnijverheidsatelier Perr?e te Venlo, met de bedoeling om dit exemplaar voortaan, in plaats van het kostbare originele beeld, mee te voeren in processies.
      Last edited by SJEF †; 28 oktober 2007, 14:13.
      Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
      Thomas More

      Opmerking


      • #4
        Maastricht als bedevaartplaats

        Verering van het Mariabeeld.
        Een hardnekkige legende: "Onze Lieve Vrouw ten Oevere".
        Het ontstaan van de cultus van O.L. Vrouw van Maastricht wordt in de literatuur keer op keer in verband gebracht met een Mariakapel aan de Maastrichtse Maasoever die in de vierde eeuw gesticht zou zijn door de H. Maternus, bisschop van Trier en Keulen.
        Op deze locatie komt thans de Mariastraat uit op de Kesselskade; in de 17e eeuw bouwden de augustijnen hier hun kerk, van 1918 functioneerde deze als kerk van de toenmalige St. Josephparochie, in 1976 werd het inmiddels gesloten gebouw weer heropend om tot op heden te functioneren als cultureel centrum, 'de Awwestiene'.
        Deze kapel zou reeds vroeg in de middeleeuwen bekendheid hebben gehad als genadeoord met een miraculeus Mariabeeld en tal van pelgrims hebben aangetrokken, onder wie veel schippers.
        Vandaar dat Maria vooral bekend stond onder de naam 'Sterre der Zee' en de kapel als 'de kapel van O.L. Vrouw ten Oevere'.
        Vooral voor het in de 13e eeuw opgerichte gilde der 'Schoense verderen' (vaarders op Schoonen, een landstreek in Zuid-Zweden) zou deze cultus van grote betekenis zijn geweest.
        Omdat de kapel te klein werd voor de grote toeloop van vereerders werd in het begin van de 14e eeuw het miraculeuze beeld - en dus ook de cultus - door het kapittel van de O.L. Vrouwekerk overgebracht naar de ruime minderbroederskerk.
        In 1937 heeft Verbeek echter aangetoond dat het bovenstaande geheel berust op een legende die moet worden toegeschreven aan een publicatie uit 1829 van de Maastrichtse stadshistoricus M. van Heylerhoff (1776-1854).
        In werkelijkheid is de cultus pas veel later ontstaan, in de minderbroederskerk.
        Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
        Thomas More

        Opmerking


        • #5
          Maastricht als bedevaartplaats

          Ontstaan en verdere ontwikkeling van verering en bedevaart tot de Franse Tijd #1.
          De concrete verering vanuit de bevolking tot het beeld van O.L. Vrouw van Maastricht is omstreeks 1525 op gang gekomen, dus ongeveer een halve eeuw na de schenking door Van Harlaer (zie bij Mariabeeld als cultusobject).
          De eerste kroniekschrijver van het genadeoord, Henricus Sedulius (1549-1621), provinciaal overste van de Nederduitse Minderbroedersprovincie, traceerde 33 wonderen die tussen 1556 en 1608 zouden zijn gebeurd op voorspraak van O.L. Vrouw van Maastricht.
          De meeste van deze wonderen reconstrueerde hij op grond van mondelinge getuigenissen die hij vervolgens liet bevestigen door raadsleden en openbare notarissen.
          Deze werkwijze en het gegeven dat hij geen oudere wonderen kon traceren, waren een gevolg van het feit dat alle archiefstukken van het franciscanenklooster door de protestanten waren verbrand toen zij Maastricht bezet hadden in 1578-1579.
          Het oudste 'gewaarborgd' wonder dat door Sedulius werd opgetekend was de genezing in 1556 van een achtjarig doof en kreupel meisje, Agnes Schrijvers.
          Hij vermeldt er echter nadrukkelijk bij dat er al eerder wonderen op voorspraak van O.L. Vrouw van Maastricht waren gebeurd, waarvan de precieze toedracht echter wegens onachtzaamheid niet meer bekend was.
          Dat het beeld al spoedig buiten de stad vermaard was, blijkt eveneens uit de verslaglegging van Sedulius.
          Zo werden in 1560 twee kreupele broertjes uit Valkenburg, Arnoldus en Michiel Slijpen, plotseling genezen toen zij met hun moeder kwamen bidden in de Mariakapel van de franciscanenkerk.
          De protestantse bezetting en het beleg van de stad door Alexander Farnese tot de verovering op 29 juni 1579, waren rampzalig voor de inwoners van Maastricht.
          Van het franciscanenklooster restte slechts een ru?ne, maar hun kerk was behouden gebleven.
          Het Mariabeeld, waarover de mare ging dat het op miraculeuze wijze was ontkomen aan de schennende handen der ketters, werd, eenmaal terug op de oude plaats, populairder dan ooit.
          Een blijk van de vermaardheid van de Maastrichtse Maria treffen we onder meer aan in een passage in de Nederlandstalige vita die de franciscaan Matthias Croonenborch in 1674 vervaardigde van Agnes Huyn (? 1641; ? Genooi).
          Als jonge kloosterlinge bezocht zij eens te Maastricht, op de terugweg naar Venlo van een bedevaart naar Scherpenheuvel, 'het Miraculeus Beeldt van Onse Lieve Vrouwe, nu [1674] ghestelt in de Kercke van onse Paters [franciscanen] tot Tongheren'.
          Bij het beeld kreeg Agnes Huyn een visioen.
          Maria berispte haar over haar gebrek aan kloosterroeping en sprak tot de jonge vrouw de woorden ?Haest u naer Venlo?.
          Het verschijnen van het boek van Sedulius heeft op zijn beurt een stimulerende uitwerking gehad op de cultus.
          Zo worden op de oudst bekende devotieprentjes (eveneens 1609) enkele personages weergegeven die verwijzen naar de door deze minderbroeder beschreven wonderen: Anna van Valckenborgh wier kind in een bak (tobbe) met loog was gevallen maar ongedeerd bleef na aanroeping van Maria, en de Portugees Alphonsus Perrea die was verwond met messteken maar ook overleefde dankzij Maria's voorspraak.
          Het is dan ook niet verwonderlijk dat na Sedulius' publicatie nieuwe wonderen werden geregistreerd.
          Zo genas op paasmaandag 16 april 1629 Catharina Cock uit Wyck bij Maastricht van stomheid, dankzij de voorspraak van Maria.
          De genezing vond plaats op het moment dat Barbara Cock namens haar zus deelnam aan de processie van de paters minderbroeders met het beeld.
          In de zomer van 1631 genas een klein meisje, Isabella Catharina, van verlamming nadat haar moeder, Catharina Hameeckers, haar voornemen had uitgevoerd om 'op te offeren een wijtt wasschen armken en driemaels omme te gaen naer haere devotie om den altaer en bildt van de Gebenedide Moeder ende Maghet Maria, berustende inde kercke van H. Minnebroeders binnen der stadt Maestricht'.
          Van beide wonderen werd in 1632 een verklaring afgelegd voor de Maastrichtse notaris Engelbert Euven.
          De faam van het miraculeuze beeld werd verder vergroot dankzij de vele predikaties die de franciscanen en andere priesters hielden in Maastricht en (verre) omgeving.
          Tussen 1579 en 1639 (toen het uit Maastricht werd weggehaald) werd het beeld vaak door vereerders bedacht met geld en sieraden.
          Dat ook het stadsbestuur de devotie bijzonder welgezind was, blijkt onder meer uit twee schenkingen uit de stadskas in 1625, 600 Brabantse guldens in maart en enkele maanden later nogmaals 1000 Brabantse guldens, ter opluistering van de eredienst van het miraculeuze beeld en voor de aanschaf van een nieuw altaar.
          Na de inname van Maastricht in 1632 door Frederik Hendrik werd de katholieke eredienst en dus ook de Mariacultus, steeds meer gedwarsboomd door de protestanten.
          In 1635 werden de boetelingen in wollen kleren en degenen die blootsvoets gingen door hen lastig gevallen, de stadspoorten bleven gesloten onder het voorwendsel dat er onder de pelgrims spionnen konden zijn.
          Vanwege de consternatie besloten de paters om van de processie af te zien.
          Op 24 juni 1639 werden de franciscanen uit de stad verbannen; het beeld zou zoals gezegd enkele jaren later in Tongeren terechtkomen.
          Vanwege de religieuze spanningen werd omstreeks 1630-1635 door de minderbroeders een groot aantal zilveren en gouden sieraden en votiefgeschenken (harten, ringen, rozenkransen en kettingen) naar Aldenbiesen in veiligheid gebracht.
          Het is goed mogelijk dat deze voor een deel aan Sterre der Zee waren geschonken.
          Tijdens het verblijf te Tongeren (1641-1675) werd het beeld vanaf 1646 publiek vereerd om ook daar spoedig als miraculeus bekend te staan.
          Zo werd in april 1649, na zes etmalen van intensief gebed, dankzij Maria?s voorspraak in het bijzijn van talrijke getuigen een doodgeboren kind - dochtertje van Isabella Radoux en Jacob le Haut uit Bisschopswiller - voor korte tijd tot leven gewekt, zodat het nog kon worden gedoopt.
          In 1675, toen het beeld met een feestelijke processie weer in Maastricht werd binnengehaald, hernieuwde de devotie zich op volle kracht in deze stad.
          In het werk dat de franciscaan J. de Boeck in 1754 uitgaf (latere editie 1834) worden reeds 44 wonderverhalen gegeven, met de uitdrukkelijke vermelding dat het slechts om een opsomming van die mirakelen gaat 'die openbaarlijk voor geloofwaardige Getuigen verklaard, met eed bekrachtigd en eigenhandig ondertekend zijn'.
          Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
          Thomas More

          Opmerking


          • #6
            Maastricht als bedevaartplaats

            Ontstaan en verdere ontwikkeling van verering en bedevaart tot de Franse Tijd #2.

            Het betreft een gedeeltelijke herneming van de wonderen die reeds door Sedulius (1609) zijn beschreven, enkele wonderen die later door Thielmans (1612) zijn toegevoegd aan de Nederlandse vertaling van het boek van Sedulius, en de wonderen die in Vis? (1639) en Tongeren en na de terugkeer van het beeld in Maastricht zijn gebeurd.
            Opmerkelijk is dat de laatste door De Boeck vermelde wonderen plaatsvonden in 1675, kort na de terugkeer van het beeld, dus ruim driekwart eeuw voor de publicatie van zijn boek.
            Uit zijn overzicht wordt duidelijk dat het in de meeste gevallen gaat om genezingswonderen: kreupelheid, (dreigende) verdrinking, lamheid, blindheid, tandpijn, nierstenen, stomheid, kinkhoest, een enkele keer een wonderlijke bevrijding uit de gevangenis.
            Meestal betreft het kinderen (23 x); ook religieuzen (vooral franciscanen) zijn goed vertegenwoordigd (6 x).
            Als plaatsen van herkomst van degenen die door een wonder begunstigd zijn, worden expliciet genoemd: Aken (D), Alkmaar, Brugge (Be), Herenthals (Be), Luik (Be), Meerssen, Sittard, Veldwezelt (Be).
            Tot de roem van O.L. vrouw van Maastricht dragen volgens De Boeck ook de 'vermaarde Koordjes en Beeldjes [prentjes]' bij, die aan het beeld waren aangestreken: 'Vrouwen, dewelke bevrucht zijnde, niet konden baren, zoo dra zij met een dezer gewijde Koordjes omgord waren, zijn terstond wonderlijk en schier als zonder pijnen blijde Moeder geworden'.
            Ook tegen (langdurige) koortsen waren deze koordjes - waarschijnlijk gaat het hier om een variant van 'de koordjes van St. Franciscus' - een probaat middel, vandaar dat er veel vraag naar was in Brabant, het land van Luik, Gelderland, Holland, Vlaanderen, en zelfs tot diep in Duitsland.
            Volgens De Boeck getuigen 'nog dagelijks de Inwoners van Maestricht en omliggende plaatsen' dat er reeds zeer veel wonderen door de bijstand van O.L. Vrouw van Maastricht gebeurd zijn en nog gebeuren.
            Met enige bezorgdheid voegt hij hieraan toe dat er in zijn tijd (midden 18e eeuw) weliswaar minder wonderen bij het miraculeus beeld plaatsvinden dan vroeger, maar hij wijt dit aan het gebrek aan godsdienstvrijheid (waardoor de registratie der wonderen niet goed wordt bijgehouden) en aan de 'slappe godsvrucht' van de mensen.
            Bij 'gebrek aan godsdienstvrijheid' kan onder meer gedacht worden aan de enge behuizing van het beeld tot 1700 en bijgevolg ook de gebrekkige mogelijkheden om het beeld te kunnen vereren.
            Wel vond in 1684, in de periode dat de cultus gevestigd was in een noodkapel binnen het oude minderbroedersklooster (tussen ca. 1680 en 1700), de reeds genoemde wonderbaarlijke redding plaats van de dreigende schipbreuk (zie bij Mariabeeld als cultusobject).
            Een van de geredden, Franciscus, graaf van St. Pieter de Yette en baron van Rieveren, schonk in 1686 uit dankbaarheid een Maria-altaar aan de kapel.
            Nadat het beeld einde 1700 weer was overgebracht naar de nieuwe, ruime kloosterkerk aan de Tongersestraat (in 1708 volgde ook het Maria-altaar), nam het aantal vereerders weer toe.
            In het feestoctaaf in 1751, bij gelegenheid van het jubileum van de broederschap telde de franciscanenkerk meer dan 7000 communicanten.
            In 1754 werd het in 1686 geschonken altaar vervangen door een groter altaar, geschonken door de broederschap.
            Aan deze nieuwe bloeiperiode van de cultus kwam echter een abrupt einde met de verovering van Maastricht door de Fransen op 4 november 1794.
            Op 31 maart 1804 droegen de franciscanen - aan wie inmiddels al hun bezittingen ontnomen waren - het tot dan toe verborgen beeld over aan de parochiekerk van de H. Nicolaas.
            Op deze wijze kon in ieder geval de cultus voortgang vinden.
            Bij de overdracht werd bepaald dat het beeld weer aan de franciscanen zou worden teruggegeven zodra zij zich weer als kloostercommuniteit hadden gevestigd in Maastricht.
            Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
            Thomas More

            Opmerking


            • #7
              Maastricht als bedevaartplaats

              Verering en bedevaart in de 19e en 20e eeuw.
              Trok O.L. Vrouw Sterre der Zee in de loop van de tijd tal van pelgrims, voor de Maastrichtenaren zelf was zij in toenemende mate deel gaan uitmaken van de eigen (stedelijke) identiteit.
              De verknochtheid aan O.L. Vrouw van Maastricht komt treffend naar voren in de autobiografische notities van zuster Elisabeth Gruyters (1789-1864), stichteres van de congregatie Liefdezusters van de H. Carolus Borromeus ('Zusters onder de Bogen').
              Tijdens de hoogmis in de St. Nicolaaskerk op 15 augustus 1836, knielde zij neer bij het 'Mirakeluis bild van O.S.L. Vrouw'.
              Daar verzocht zij de heiligen Franciscus, Antonius en Dominicus om voorspraak bij Maria en haar te vragen of zij (Gruyters) van dienst mocht zijn bij de stichting van een nieuw klooster in Maastricht.
              Plots hoorde zij uit de hemel dat het wel zou 'gelukken'.
              Korte tijd later, in april 1837, was de stichting een feit.
              Op 10 oktober 1837, de dag dat de gerestaureerde O.L. Vrouwekerk opnieuw werd ingezegend, werd ook het beeld naar deze kerk overgebracht.
              De volksvroomheid werd spoedig verder gestimuleerd met aflaten die verdiend konden worden met gebeden tot Maria.
              Op 25 juli 1846 verleende paus Pius IX een aflaat van 300 dagen die verdiend kon worden door ieder die rouwmoedig een kort gebed bad, en een volle aflaat voor ieder die dit gebed een maand lang dagelijks bad.
              De 19e- en 20e-eeuwse bisschoppen van Roermond sloten hierbij aan, door opnieuw te beginnen met een laat-17e-eeuwse traditie waarbij op devotieprentjes te verdienen aflaten vermeld worden.
              De bedevaart nam in de 19e eeuw grote proporties aan; vooral in tijden dat Limburg geteisterd werd door cholera-epidemie?n, werd de Sterre der Zee, aldus Van Wintershoven en Sassen [1878] bezocht door 'duizenden en duizenden' smekelingen.
              De populariteit van de cultus in de O.L. Vrouwekerk was echter nadelig voor de aspiraties van de franciscanen.
              In 1864 en 1865, toen zij weer beschikten over een eigen klooster en kerk (met een speciaal voor het beeld geconstrueerd altaar), vroegen zij herhaaldelijk om teruggave van het beeld, maar door toedoen van mgr. J. Paredis bleef dit in de O.L. Vrouwekerk.
              In de 20e eeuw groeiden de internationale faam en uitstraling van de verering van de Sterre der Zee.
              In 1912 en 1947 werd in Maastricht een Mariacongres gehouden.
              In augustus 1912, ten tijde van het eerste congres, werd het beeld namens paus Pius X plechtig gekroond door de bisschop van Roermond, mgr. Drehmanns.
              De paus zelf schonk een met diamanten bezette roos; de Mariacongregaties uit heel Nederland schonken een gouden scepter, eveneens bezet met diamanten.
              Door de straten van de stad werden optochten gehouden met vele groepen en praalwagens.
              Zo waren er een groep religieuzen uit Thorn die een maquette van de kapel ter Linde liet meedragen, een groep uit Roermond met het beeld van O.L. Vrouw in ’t Zand, en een praalwagen met O.L. Vrouw van Sittard.
              Onder de duizenden toeschouwers waren veel bezoekers van boven de grote rivieren.
              Op 2 september 1947, aan de vooravond van het tweede congres, namen duizenden vereerders deel aan een ommegang met het beeld.
              Vanaf het kerkplein werd het beeld meegevoerd, gevolgd door een groep hoogwaardigheidsbekleders, onder wie de commissaris van de koningin (F. Houben) en de burgemeester (jhr. Michiels van Kessenich); dan volgden ettelijke duizenden Maastrichtenaren van alle rangen en standen; de stoet werd afgesloten door een afdeling militairen 'in strakke pas.
              De manifestatie werd be?indigd met een massaal aangeheven Marialied, 'O, Reinste der schepselen'.
              Later op diezelfde avond werd het beeld van O.L. Vrouw van Fatima - dat in een rondreis door verschillende landen werd gevoerd - in een processie met ca. 50.000 deelnemers naar de Maastrichtse St. Servaaskerk gebracht.
              Tijdens de daaropvolgende congresdagen, 3 tot en met 7 september ging de devote aandacht uit naar het beeld van O.L. Vrouw van Fatima dat tot 8 september in Maastricht bleef, maar niet minder naar het beeld van de 'Sterre der Zee'.
              Van de feestelijkheden die in deze week werden gehouden, dienen vooral genoemd te worden de opvoering van het Openluchtspel 'Sterre der Zee' (op de avonden van woensdag 3 tot en met maandag 8 september), en de mariale feeststoet met tal van taferelen op zondag 7 september.
              Op deze laatste dag kwamen duizenden pelgrims naar Maastricht met autobussen en met tientallen extra ingelaste treinen.
              Overigens bracht het beeld van O.L. Vrouw van Fatima - na een rondreis door diverse landen van het voormalige oostblok - ook op 14, 15 en 16 augustus 1997 een bezoek aan Maastricht, waar het werd opgesteld in het priesterkoor van de O.L. Vrouwebasiliek.
              Van 1950 tot 1955 werd met de Sterre der Zee door heel Limburg, langs alle dekenaten en parochies, een rondreis van in totaal 2000 kilometer gemaakt.
              De rondgang, jaarlijks gedurende de maanden mei tot oktober, werd begeleid door bisschop Lemmens zelf en door twee broedermeesters van de Broederschap van de Sterre der Zee, A. Lamberti en H. Wishaupt.
              Vrijwel overal werd het genadebeeld massaal en enthousiast onthaald en namen duizenden deel aan de godsdienstige plechtigheden.
              Alle katholieke gezinnen werden aan de zorg van Maria toevertrouwd.
              Slechts een enkele keer leverde de komst van de Sterre der Zee problemen op, namelijk in enkele plaatsen waar de Mariaverering al aan een ander genadebeeld was gekoppeld en er enige concurrentie (ook financieel) tussen beide devoties dreigde te ontstaan.
              Voor de jaren zestig werd de M?rodekapel bezocht door individuele pelgrims en groepsbedevaarten uit verschillende Limburgse steden en dorpen of van nog verder weg.
              Zo werd eind november 1952 een wielerbevaart naar de O.L. Vrouwekerk gehouden; na de mis werden de fietsen door mgr. J.H.G. Lemmens gezegend op het kerkplein.
              Vanaf omstreeks 1960 hielden de groepsbedevaarten nagenoeg op.
              Een van de weinige uitzonderingen hierop was de gezamenlijke bedevaart van de vrouwenvereniging 'Maria Martha', die jaarlijks in september vanuit Nieuwstadt naar de Sterre der Zee werd gehouden.
              De individuele bedevaart is echter in volle intensiteit blijven voortbestaan; dagelijks, tussen 7.30 uur en 19.00 uur wordt de Sterre der Zee door honderden vereerders bezocht.
              De drukte is het grootst in de meimaand.
              Veelvuldig worden briefjes, met daarop gebedsintenties, in de offerblokken gestopt, en jaarlijks worden nog zo’n drie ex-voto’s aan de Sterre geschonken als dank voor een gebedsverhoring.
              In 1985 bracht paus Johannes Paulus II als 'pelgrim' een bezoek aan Maria, Sterre der Zee en patrones van de stad Maastricht.
              In 1992 werd, ge?nspireerd door de rondtocht in de jaren vijftig, door het comit? 'Met de Sterre op weg naar 2000' opnieuw een rondreis met het beeld langs de Limburgse parochies georganiseerd.
              Verschillende parochies en dekenaten weigerden echter hun medewerking aan deze rondreis.
              Als motivatie hiervoor werd gezegd dat men ter plaatse al beschikte over eigen speciale Mariavereringen (dekenaat Schinnen), of dat men grote bezwaren had tegen het feit dat niet het originele beeld maar een replica werd meegevoerd (dekenaat Gennep).
              Ook in de late jaren negentig van de 20e eeuw is tijdens de hoogmis op Tweede Paasdag de basiliek nog geheel bezet met gelovigen uit de stad en bedevaartgangers uit de wijde omgeving.
              Hetzelfde geldt voor de pontificale hoogmis op het feest van Maria Tenhemelopneming (15 augustus) en het feest van Maria Onbevlekte Ontvangenis (8 december) waarbij ook de broederschap aanwezig is.
              Veel toeristen, met name uit Belgi? en Duitsland, brengen bij een dagje Maastricht of tijdens een vakantie in Zuid-Limburg een bezoek aan de Sterre der Zee.
              Haar meeste vereerders komen echter nog steeds uit de stad zelf.
              In 1999 typeerde de pastoor van de O.L. Vrouwebasiliek, R. Wagenaar, de cultus als een stadspelgrimage'.
              Voor meer gegevens over de verering, zie ook hieronder bij "Broederschappen" en "Bidtochten en processies".
              Last edited by SJEF †; 28 oktober 2007, 14:14.
              Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
              Thomas More

              Opmerking


              • #8
                Maastricht als bedevaartplaats

                Broederschappen.
                Al voor het begin van de bedevaartcultus was er aan de minderbroederskerk een Mariabroederschap verbonden die volgens Sedulius reeds in 1470 zeer vermaard was.
                Verbeek (1937) vermoedt dat deze broederschap, waarschijnlijk in de loop van de 16e eeuw, is samengegaan met een andere aan de minderbroederskerk verbonden broederschap, die van het 'Koordje van St. Franciscus'.
                Deze uit twee facties bestaande broederschap was voor zowel vrouwen als mannen toegankelijk en werd in eigentijdse geschriften vaak vermeld als de broederschap der 'flambouwdragers'.
                Afgaande op een ledenregister, dat vanaf dat jaar werd bijgehouden, werd op 20 april 1615 de broederschap bevestigd of zelfs heropgericht.
                Nieuwe leden werden elk jaar op Tweede Paasdag bijgeschreven.
                De broederschap werd verschillende malen begiftigd met pauselijke aflaatbrieven: in 1614 (enkele maanden voor de bevestiging of heroprichting), in 1628, 1637 en 1638.
                Na het vertrek van de franciscanen uit Maastricht gebeurde de inschrijving der nieuwe leden tot 1644 in hun klooster op de Sint Pietersberg ('Slavante'), om daarna voor vele jaren te staken.
                De heroprichtingsvergadering vond plaats bij de franciscanen op 17 april 1701.
                Deze tweede broederschap, die alleen open stond voor ongehuwde mannen, kende een lange bloeiperiode; in 1751, bij het 50-jarig bestaan, verleende de paus verschillende aflaten.
                Het bestuur werd gevormd door twaalf meesters.
                Jaarlijks kozen de meesters twee prefecten en een secretaris (sinds 1706 twee).
                De leden dienden iedere derde zondag van de maand de processie in de minderbroederskerk met flambouwen op te luisteren.
                In 1782 dreigde de broederschap echter te verflauwen, vandaar dat mede onder aandrang van de stadsoverheid besloten werd dat voortaan ook gehuwde mannen lid mochten worden.
                Deze maatregel had wel tot gevolg dat de broederschap uiteen viel in de twee oude facties waaruit ze oorspronkelijk was samengesteld.
                De broederschap van het Koordje, gesteund door de paters en de bisschop, hield vast aan het lidmaatschap voor alleen ongehuwde mannen; de broeders van O.L. Vrouw, gesteund door de wereldlijke overheid, waren voorstanders van een lidmaatschap voor zowel ongehuwde als gehuwde mannen.
                In 1797 echter werd de hele broederschap, door toedoen van de Franse overheersers, opgeheven.
                Naast de reeds bestaande franciscaanse broederschap werd in 1714 aan de Nicolaaskerk eveneens een Mariabroederschap opgericht onder de titel 'Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen'.
                Deze broederschap, die beschikte over een eigen devotiebeeld van Maria (zonder Kind), werd eveneens in 1797 opgeheven, maar in 1801 weer hersteld.
                In 1804 werd de verering van de Sterre der Zee aan haar toevertrouwd.
                In 1906 werd de naam van de broederschap uitgebreid tot 'Broederschap van Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen, Sterre der Zee'.
                Deze nog steeds bestaande broederschap kent twee soorten leden, de broedermeesters, en de broeders en zusters.
                De broedermeesters stellen zich ten doel 'de verering van de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria aan te kweken en uit te breiden'.
                Ze luisteren de plechtigheden in de basiliek op en ijveren voor de bevordering van de devotie voor het genadebeeld van de Sterre der Zee.
                Rond de feestdag van Maria Onbevlekt Ontvangen (8 december) houdt de broederschap nog steeds een Mariatriduum.
                Men noemt de broedermeesters ook wel leden van de O.L.Vrouwekamer, naar de zaal waar ze reeds anderhalve eeuw hun vergaderingen en bijeenkomsten houden.
                De broeders en zusters zijn ingeschreven als lid om Maria te vereren en haar bescherming te vragen.
                De basiliek van O.L. Vrouw kent sinds de opheffing van de Nicolaaskerk nog een broederschap, opgericht in 1655 onder de naam 'Broederschap van de H. Jozef van de Goede Dood'.
                De broedermeesters en de gewone leden bevorderen de verering van de H. Jozef, nemen deel aan de jaarlijkse bedevaart naar Scherpenheuvel en luisteren in het algemeen de plechtigheden in de basiliek op.
                Op 4 mei 1938 werd door het geestelijk bestuur van het 'Apostolaat ter Zee in Nederland' en de bisschop van Roermond, mgr. J.H.G. Lemmens, opgericht 'De Broederschap van O.L. Vrouw, Sterre der Zee'.
                De stichtingszetel werd gevestigd in de Mariakapel van de Maastrichtse O.L. Vrouwebasiliek, de propagandazetel werd gevestigd bij het centraal bureau van genoemd Apostolaat in Rotterdam.
                Doel van deze broederschap was om door offer en gebed het Apostolaat ter Zee bij te staan bij de uitbreiding en vestiging van het Rijk Gods in de internationale scheepvaartwereld.
                In oktober van genoemd jaar werd een door mgr. Lemmens gezegende replica van het beeld per boot van Maastricht naar Rotterdam gebracht.
                Daar werd het beeld na aankomst in een feestelijke optocht naar de nieuwe kapel van het gebouw van het Apostolaat ter Zee (aan het Willemsplein) gedragen, waar de bisschop van Haarlem, mgr. J.H. Huibers, een feestrede hield.
                Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
                Thomas More

                Opmerking


                • #9
                  Maastricht als bedevaartplaats

                  Bidtochten en processies #1.

                  In de zogenoemde 'cedulenboeken' van de stad Maastricht is vanaf 1532 sprake van een jaarlijkse processie bij de minderbroeders op Paasmaandag waarbij 'dat bielt van onsser liever Vrouwen' werd omgedragen; in genoemd jaar schonk de stad twee kruiken wijn aan de paters franciscanen.
                  Uit de raadsnotulen van Maastricht kan worden afgeleid dat het stadsbestuur zich vanaf het begin van de 17e eeuw extra inspande om de processie nog meer luister bij te zetten.
                  Zo schonk het bestuur op 19 december 1606 twee riemen wit papier aan de paters ter vervaardiging van bedevaartprentjes ('brieffkens').
                  Korte tijd later zou deze processie zich ontwikkelen tot een echte stadsprocessie.
                  Met zekerheid vanaf 1608 liepen alle leden van de stadsmagistraat achter het H. Sacrament, ieder met een toorts in de hand.
                  Hierdoor werd de processie van de minderbroeders in rang gelijkwaardig aan de jaarlijkse processies van de St. Servaaskerk en de O.L. Vrouwekerk, waarbij de raadsleden eveneens tegenwoordig waren.
                  In 1609 werden ook de meesters van de ambachten ontboden om mee te lopen met dezelfde toortsen als zij op Sacramentsdag droegen.
                  Voorafgaand aan de processie op de Tweede Paasdag werden de straten langs de route gereinigd. Dat het ging om een grootse onderneming blijkt vooral uit de aantallen bezoekers van buiten Maastricht die O.L. Vrouw op Tweede Paasdag kwamen vereren: in 1608 telden de wachten aan de stadspoort 6000 mannelijke pelgrims (vrouwen en kinderen werden niet meegerekend), in 1611 werd het aantal vreemdelingen op 19.000 ? 20.000 geschat.
                  De grote populariteit van deze processie had alles te maken met het bijzonder karakter ervan.
                  Anders dan bijvoorbeeld de Sacramentsprocessie had de processie op Tweede Paasdag niets triomfantelijks, maar was ze veel meer een bid- en boetetocht.
                  Op paaszaterdag werd het beeld op een draagbaar geplaatst voor de afsluiting van de Mariakapel.
                  In de nacht van de Eerste op de Tweede Paasdag (na de vespers om 2.00 uur) plaatsten de kloosterlingen, vergezeld van een grote massa volk, het beeld in het middenschip van de kerk onder het zingen van het lied 'Regina Coeli'.
                  Hierna werd het beeld omgeven door honderden boetelingen.
                  Mannen, vrouwen, jeugdigen en kleine kinderen, slechts gehuld in een linnen of wollen kleed, liepen of kropen onder het uitroepen van smeekbeden blootsvoets om het beeld heen.
                  In dezelfde nacht legden ettelijke boetelingen reeds eenmaal of meerdere malen, met fakkels in hun hand, de hele processieroute af.
                  Sommigen deden dit al kruipend, of met een zwaar ijzeren harnas aan en met ijzeren kettingen om de voeten.
                  Op de ochtend van de Tweede Paasdag werd om 8.00 uur een preek gehouden, gevolgd door de hoogmis om 9.00 uur waarbij ook de notabelen van de stad aanwezig waren.
                  Na de hoogmis werd door de paters op het kerkplein en in de kloostergangen de processie opgesteld.
                  Helemaal vooraan liep een minderbroeder met een kruis; hij werd gevolgd door de boetelingen die gedurende de hele processie een stilzwijgen in acht namen.
                  In 1608 bestond deze groep uit circa 1000 personen van wie een aantal een ijzeren helm had opgezet om niet herkend te worden.
                  Deze groep telde naar verhouding veel moeders met kleine kinderen.
                  De volgende groep bestond uit leden van de broederschap van de geselaars, gehuld in boetezakken, het gelaat bedekt en evenals de voorgaande groep blootsvoets.
                  Deze groep bestond geheel uit mannen, jongelingen en knapen.
                  Na de geselaars kwam weer een minderbroeder met een kruis die werd gevolgd door de mannelijke religieuzen van de stad (capucijnen, bogarden, kruisheren, augustijnen, dominicanen, minderbroeders).
                  Achter hun vaandel volgde nu de broederschap van de flambouwdragers (de combinatie van de broederschap van het H. Koordje en de broederschap van O.L. Vrouw), vier broeders droegen het miraculeuze beeld op een draagbaar.
                  Binnen deze groep liepen mannen (in 1608 waren er 86 van hen) met een ijzeren harnas waaronder zij slechts een lendendoek droegen, vaak met een zware ketting aan hun rechtervoet om het lopen te verzwaren.
                  Hun linnen lendendoeken dropen van het bloed door het schuren van het harnas.
                  De flambouwdragers met het Mariabeeld werden gevolgd door de dekens van de gilden, het college van de magistraat, de kanunniken van de O.L. Vrouwekerk en de St. Servaaskerk, en de seculiere geestelijkheid die onmiddellijk aan het H. Sacrament voorafgingen.
                  De processie werd afgesloten door de gouverneur van de stad, de landcommandeur van de Duitse Orde te Aldenbiesen, de adel van de stad en omstreken en een grote menigte pelgrims.
                  Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
                  Thomas More

                  Opmerking


                  • #10
                    Maastricht als bedevaartplaats

                    Bidtochten en processies #2.

                    De route van de processie wordt in het 17e-eeuwse memoriale van het minderbroedersklooster als volgt aangegeven:

                    'Uijt ons kerk door het Heijenstraetjen, neffens de Bogaerden [in de Witmakerstraat], daer naer te rechtehandt inslaende naer St. Anne-kloosterken [in de Kapoenstraat], neffens St. Jacobs Capelle [hoek St. Jacobstraat/Breestraat] door de geheele Breystraet, voorbij de Jesuiten, St. Nicolaes [aan de noordkant van het O.L. Vrouweplein] ende Ons L. Vrouwe kercken en dan neffens de moutmeulen [door de Koestraat] over de steene brugge naar onse kercke'.

                    Ook gedurende de octaafweek bleven vereerders dag en nacht om het beeld in de kerk lopen of kruipen en de processieroute overdoen.
                    Iedere dag in de week was er ?s ochtends om 7.00 uur een preek waarna een votiefmis van de H. Maagd werd gezongen.
                    Op Beloken Pasen werd de preek pas om 10.00 uur gehouden, na de hoogmis aan het altaar van het miraculeuze beeld.
                    Na de completen (om 15.00) uur volgde weer een processie die echter minder groots was dan die op Tweede Paasdag.
                    Terug in de kerk werd het beeld weer voor de Mariakapel geplaatst als op paaszaterdag; tot slot werd de antifoon 'Haec est praeclarum vas' gezongen en de zegen met het Allerheiligste gegeven.
                    Na de terugkeer van het beeld naar Maastricht in 1675 is het beeld vanuit de St. Jacobskapel nog enkele malen in processie meegevoerd, onder meer bij een door de gemeenteraad voorgeschreven bidprocessie op 22 augustus 1676, bij een boeteprocessie op 6 januari 1677 en een processie op Tweede Paasdag 1678.
                    Na dat jaar was de processie met het miraculeuze beeld door de straten van Maastricht echter voor lange tijd verboden; wel mochten er nog processies gehouden worden in de kloostertuin.
                    Toch bleven op eigen gelegenheid en zonder uiterlijk vertoon vereerders de oude processieroute (vanuit de Sint Pieterstraat) lopen.
                    In 1701, na de verplaatsing van het klooster en het beeld naar de Tongersestraat, veranderde deze route: vanaf de kloosterkerk ('op de Minderbroedersberg') liep men door de Tongersestraat, Bouillonstraat en Papenstraat, dan vanaf de St. Jacobstraat langs de oude bidweg naar het O.L. Vrouweplein, vandaar door de Cortestraat, Witmakerstraat, Kapoenstraat, Lenculenstraat en Tongersestraat weer naar de kloosterkerk waar hulde werd gebracht aan Maria bij haar altaar.
                    Volgens een legende, die uitvoerig wordt verhaald door Lemmens (1947), zou O.L. Vrouw zelf deze route aan een vrome vrouw hebben aangegeven, nadat er onenigheid was ontstaan over de precieze weg.
                    In 1857 noteerde de deken van Maastricht dat de bedevaart naar O.L. Vrouw, de 'Lieve Vrouweweg', nagenoeg dagelijks wordt gelopen, 'nu [eens] door vele persoonen bij elkanderen dan [weer] door weinige maar bijzonder door eene meenigte onder de octave van Paesschen en wanneer er openbare rampen zijn af te weren biddende over de straten en soms luidop tot op het plein voor de kerk van onze Lieve Vrouwe'.
                    De meesten dergenen die gedurende het hele jaar op deze wijze de 'Heilige Moeder Maagd' kwamen eren, waren volgens de deken 'buitenlieden'.
                    Deze drukke bidtocht- en processiepraktijk, zowel in haar offici?le liturgische gestalte, op Tweede Paasdag en op het feest van Maria Tenhemelopneming (waaraan de O.L. vrouwekerk gewijd was), als op meer informele wijze (op andere dagen in het jaar), heeft zich gedurende de verdere 19e en 20e eeuw voortgezet.
                    Een bijzondere bidtocht was de vredesprocessie met het beeld op dinsdag 7 mei 1918.
                    Meer dan 5000 processiegangers, kinderen, eerste communicanten, mannen en vrouwen, smeekten om Maria?s voorspraak voor een spoedige wereldvrede.
                    De identificatie van de grotendeels rooms-katholieke stadsbevolking met de Sterre der Zee, kwam in 1931 treffend tot uiting bij een protestoptocht tegen de antigodsdienstige manifestaties van de vrijdenkersvereniging 'De Dageraad'.
                    Op 25 en 25 juli van dat jaar hielden Hollandse afvaardigingen van 'De Dageraad' in de mijnstreek propagandaoptochten of poogden dit te doen.
                    Ofschoon de vrijdenkers in Maastricht geen actie voerden, was er voldoende reden voor de vereniging 'Katholiek Maastricht' om op zaterdag 25 juli een bijzondere bidtocht te organiseren met de bedoeling om zo eerherstel aan God te brengen en tevens te protesteren tegen de 'godslasterlijke uitingen' van de vrijdenkers.
                    Aan de bidtocht, die begon en eindigde bij de kerk van O.L. Vrouw Tenhemelopneming, namen schatting 6000 tot 7000 personen deel.
                    In oktober 1939 werd de bidweg door de Maastrichtse schoolkinderen afgelegd om de vrede af te smeken.
                    Een middag was gereserveerd voor de meisjes en hun onderwijzeressen; een week later liepen de jongens.
                    Toen op Tweede Paasdag 1984 voor het eerst een nieuw vervaardigde replica, in plaats van het authentieke beeld, in de processie werd meegedragen door de broederschap, verwekte dit enig ongenoegen onder de stadsbevolking.
                    Met name het gelaat van de kopie zou slecht gelijken op het origineel.
                    Ook in de jaren negentig van de 20e eeuw trekt na de plechtige hoogmis op Tweede Paasdag een lange stoet met deelnemers uit Maastricht en omstreken uit de basiliek langs de processieroute.
                    Aan het einde van de stoet wordt, voorafgaand aan het Allerheiligste, het genadebeeld hoog op de schouders gedragen.
                    In dikke rijen langs de route volgen duizenden mensen de processie.
                    Velen lopen de bidweg individueel.
                    In groepsverband trekt men elke zaterdag na de avondmis langs de bidweg, dit gebeurt ook tijdens het Paasoctaaf en tijdens het triduum van het feest van O.L.Vrouw Onbevlekt Ontvangen (6, 7 en 8 december).
                    De wekelijkse bidtocht wordt ondernomen door een vaste kern van zo?n 60 personen.
                    Na de tocht, bij aankomst in de kerk, wordt het gebed tot de Sterre der Zee gebeden en de oude, 9e-eeuwse hymne, 'Ave Maris Stella', gezongen.
                    Op de eerste zondag na de feestdag van St. Servaas (13 mei) is jaarlijks de grote stadsprocessie, waarin het genadebeeld van de Sterre der Zee op een prominente wijze wordt meegetroond.
                    Dat geldt ook voor de heiligdomsvaart die om de zeven jaren gedurende een hele week rond een wisselend thema wordt gevierd; de heiligdomsvaart wordt afgesloten met een grote processie door geheel oud-Maastricht, waarin de relieken van de stadskerken worden getoond en meegedragen.
                    Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
                    Thomas More

                    Opmerking


                    • #11
                      Oorspronkelijk geplaatst door olijfje
                      Heilige Maaariaa, Sjef,..Kun je het geheel niet opleuken met hier en daar 'n prentje,..? Dit is wel erg veel leeswerk.!
                      Ja, geschiedenis van een tiental eeuwen is veel leeswerk.
                      Maar ik zal zien of ik nog afbeeldingen kan vinden die bij het thema passen.
                      Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
                      Thomas More

                      Opmerking


                      • #12
                        Nieuw Marialied

                        Nieuw Marialied in première.

                        Een nieuw Marialied gaat volgende week zaterdag 8 december 2007 in premi?re in de Onze Lieve Vrouwe-basiliek.
                        Op zaterdag 8 december, het hoogfeest van Maria Onbevlekt Ontvangen, start in Lourdes het jubileumjaar.
                        In 2008 is het 150 jaar geleden dat Maria aan Bernadette Soubirous verscheen.
                        De Nederlandse bedevaartorganisaties hebben ter gelegenheid van dit jubileum een nieuw Marialied laten componeren.
                        De tekst van het lied 'Maria's Kroon' is van auteur Wiel Kusters.
                        Diaken en musicus Gerard Sars componeerde de melodie en Mgr. Ben Janssens tekende voor de theologische achtergrond van het lied.
                        De plechtigheid in de OLV-basiliek bestaat uit een herdenking van het 150-jarig jubileum, de presentatie van het lied en een versperdienst, en
                        duurt van 14.30 tot 16.00 uur.
                        Harmonie Petrus en Paulus uit Maastricht, het Mannenkoor Borgharen en sopraan Judith Petra doen mee.
                        Last edited by SJEF †; 22 maart 2008, 19:43.
                        Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
                        Thomas More

                        Opmerking


                        • #13
                          OLV 75 jaar basiliek

                          Slevrouwe al 75 jaar verheven.

                          75 jaar geleden werd de Onze Lieve Vrouw Sterre der Zee van kerk verheven tot basiliek.
                          Om dat te vieren heeft de parochie een uitgebreid feestprogramma samengesteld dat maandag 24 maart 2008, tweede paasdag, van start gaat met een pontificale hoogmis.
                          Aansluitend wordt een boekje gepresenteerd waarin oudere Maastrichtenaren herinneringen ophalen.


                          Koerezel werd hij wel genoemd.
                          Alsof hij een ezel was, een persoon te dom om voor de duvel te dansen, een simpele ziel die tijdens de heilige missen niets anders deed dan rondjes om het koor lopen.
                          In werkelijkheid, zo kan een kwieke Maastrichtenaar van in de tachtig zich nog levend voor de geest te halen, werd met de koerezel de suisse bedoeld, de gehelmde en met een hellebaard bewapende soldaat – gemodelleerd naar een militair van de Zwitserse Garde in Rome – die tijdens de plechtige kerkdiensten in de ‘Slevrouwe’ de orde moest bewaken.
                          Het zat als volgt: de suisse had een band om zijn arm, met daarop de Franse woorden 'coeur et zèle', wat staat voor ‘hart en (geloofs)ijver’, „een soort waarschuwing en vermaning aan het kerkvolk, dat de suisse bedoeld was om erop toe te zien dat de mensen in de kerk zich ingetogen gedroegen en liefst met hart en ijver, innigheid, baden.
                          De Maastrichtse volksmond maakte van 'coeur et zèle' natuurlijk snel koerezel.”

                          Het is slechts een van de talrijke anekdotes rond de beroemdste kerk van Maastricht die staan opgetekend in het boekje 75 jaar basiliek
                          Sterre der Zee Maastricht, dat op tweede paasdag in de kerk wordt gepresenteerd.
                          Het boekje omvat, behalve een schat aan foto’s tekeningen, historische gegevens en andere wetenswaardigheden, nooit eerder geboekstaafde herinneringen van twaalf oudere Maastrichtenaren, die nog precies kunnen vertellen hoe het dagelijks leven in en rond de vierde basiliek van Nederland eruit heeft gezien.
                          De herinneringen van de weinige Maastrichtenaren die er zelf nog bij zijn geweest, zijn gevuld met de geluiden en gevoelens van vele tientallen jaren terug, schrijft journalist Laur Crouzen, een van de samenstellers van het boekje.
                          Crouzen trok ruim een half jaar uit om ooggetuigen op te sporen en hun belevenissen vast te leggen.
                          Oral history, persoonlijke herinneringen die grotendeels oncontroleerbaar zijn, maar daarom niet minder interessant.
                          „Herinneringen aan een fort van een kerk tussen twee uitersten: aan de ene kant het Villapark, het domein van de haves, de geslaagden en gegoeden van de maatschappij aan de zuidrand in prachtige huizen”, aldus de samensteller.
                          „Aan de andere kant de absolute have nots van de Stokstraat en omgeving, de echte armen in hun twee-, driekamerwoninkjes aan weerszijden van wat wel misschien de oudste straat van ons land genoemd mag worden.”
                          Dat de O.L. Vrouwekerk sinds 1933 door het leven mag gaan als basiliek, is grotendeels te danken aan pastoor Franciscus Brune, de verre voorganger van huidig pastoor Fons Curris.
                          Op 15 augustus 1932 klom hij in de pen en schreef in vlekkeloos Latijn een brief aan het Vaticaan waarin hij zo veel mogelijk argumenten aanvoerde waarom zijn kerk het volgens hem verdiende om tot basilica minor verheven te worden.
                          Om te beginnen, voerde hij aan, was de Slevrouwe een oude bisschopskerk, waar in het verleden zeker elf heilige bisschoppen hadden
                          geresideerd.
                          Als het er geen twintig waren.
                          Daarnaast maakte hij melding van het kerkbezit: belangrijke relieken, waaronder een deel van de schedel van de heilige Bartholomeus en de gordel van de Heilige Maagd Maria.
                          Als laatste, maar zeker niet als minst belangrijke argument was Brunes omschrijving van zijn kerk als belangrijk centrum van Mariaverering.

                          Ruim zes maanden later was het zo ver.
                          Op 20 februari 1933 tekende kardinaal Eugenio Pacelli (de latere paus Pius XII) namens zijn ‘baas’ paus Pius XI de breve (oorkonde) waarin een en ander officieel werd kortgesloten.
                          Anneke Ummels-Vermeulen uit de Lenculenstraat – zij werd in 1913 geboren in de Stokstraat en was jarenlang vroedvrouw in de Maastrichtse binnenstad – herinnert zich het basiliekverheffingsfeest van paasmaandag 1933 nog als de dag van gisteren.
                          „En toen koume ze de kèrrek in met dee groete perreplu”, citeert Crouzen haar, wanneer ze hardop – en in haar eigen taal – aan het grote feest terugdenkt.
                          „Het was een prachtige plechtige hoogmis, een belevenis, met onze bisschop Lemmens.
                          De perreplu werd voor op het priesterkoor gepresenteerd aan iedereen en toen overgedragen, dat weet ik nog heel wel”, aldus de 94-jarige in het boekje.
                          Haar herinneringen omvatten niet alleen haar toenmalige ervaringen met de O.L.V.-kerk, maar ook haar werk om de hoek, in het Stokstraatkwartier, waar ze getuige was van armoede en ellende.
                          In tegenstelling tot Anneke Ummels herinnert de 89-jarige Leny Prince-Ramaeckers zich nauwelijks meer iets van het feest rond de verheffing van kerk tot basiliek.
                          „Ik was toen een jong meisje van vijftien, misschien al meer geïnteresseerd in jongens of andere zaken”, zegt ze verontschuldigend.
                          Wat ze zich wel uit die tijd herinnert?
                          Veel, zegt ze, want ze komt uit een ‘verschrikkelijk kerkse familie’.
                          De Kerk stond centraal, en verder was er eigenlijk niets, maar je wist gewoon niet beter.
                          „Mensen van nu kunnen zich geen enkele voorstelling maken van die heerlijke, relatief onbezorgde tijd.”
                          Ze woont een heel stuk van de basiliek verwijderd, maar denkt nog vaak terug aan de warmte en de gezelligheid van weleer.
                          „Wat hebben we hartelijk gelachen in die ouwe tijd.
                          Maar op zijn tijd waren we ook serieus met dat geloof bezig.
                          Verdieping, zouden ze nu zeggen, maar ik ben bang dat de jongeren van vandaag daar niet meer voor open staan.”

                          Het boekje ‘75 jaar basiliek Sterre der Zee Maastricht’ (70 pagina’s), met bijdragen van Laur Crouzen en Régis de la Haye, is vanaf maandag 24 maart 2008 te koop in de acceuil onder de kerk.
                          Het kost 5 euro.


                          Maarten van Laarhoven; gazet De Limburger 22-03-2008
                          Last edited by Toller; 14 december 2014, 21:30.
                          Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
                          Thomas More

                          Opmerking


                          • #14
                            Dus het heeft niets te maken met: de suisse had een band om zijn arm, met daarop de Franse woorden 'coeur et zèle', wat staat voor ‘hart en (geloofs)ijver’, „een soort waarschuwing en vermaning aan het kerkvolk, dat de suisse bedoeld was om erop toe te zien dat de mensen in de kerk zich ingetogen gedroegen en liefst met hart en ijver, innigheid, baden.
                            De Maastrichtse volksmond maakte van 'coeur et zèle' natuurlijk snel koerezel.”
                            Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
                            Thomas More

                            Opmerking


                            • #15
                              Nog een aardige aanvulling omtrent de Suisse.

                              De Suisse.
                              Ook de pastoor had vroeger zijn 'Zwitser'.
                              In Rooms-Katholieke kerken trof je vroeger de Suisse aan, ook een ordehandhaver.
                              Vroeger veel gezien, nu vaak allen nog in de kerken met een oude traditie en daar alleen nog maar op feest- en hoogtijdagen.
                              Zijn naam verwijst naar de Zwitserse Garde.

                              De Suisse is een man met gezag en herkenbaar aan zijn uniform met tressen op de schouders en diverse versierselen, met een steek op het hoofd en een sjerp om waarop om orde en eerbied wordt gevraagd maar vooral herkenbaar door zijn piek of hellebaard.

                              Hij stapt gekleed in zijn uniform en gewapend met zijn hellebaard rond, en let op dat niemand kattenkwaad uithaalt of in slaap sukkelt zoals dat vroeger nog wel eens kon gebeuren bij een mijnwerker of fabrieksarbeider die vanuit de nachtdienst naar de Zondagsmis kwam.

                              Het Suisse zijn werd vroeger veelal doorgegeven van vader op zoon en als een eer beschouwd.
                              Vaak was het iemand met een vrij beroep die zijn werktijden zelf kon indelen en daardoor ook door de week naar huwelijksmissen en begrafenissen kon gaan om zijn ambt uit te oefenen ter ere Gods.
                              Want veel meer dan een drinkgeld hield de Suisse niet over aan zijn werk en dat ging meestal in de 'Suissebak' en kwam ten goede aan de kinderen.

                              Hondenslager in de middeleeuwen.
                              In de middeleeuwen stond de Suisse ook wel bekend als 'hondenslager'.
                              Mensen die van ver naar de kerk kwamen, deden dat in begeleiding van hun hond(en).
                              Vanwege de slechte, onverlichte wegen en het gespuis dat daar ook rondliep.
                              Die honden wilden natuurlijk ook hun plaats in de kerk en de Suisse zorgde er voor dat ze uit het kerkgebouw werden verdreven.
                              Vandaar deze bijnaam.
                              Historie is niet alleen het weergeven van de as, maar ook het doorgeven van het vuur.
                              Thomas More

                              Opmerking

                              Bezig...
                              X