Aankondiging

Sluiten
No announcement yet.

Gevangenissen, huizen van bewaring en politiecellen

Sluiten
X
 
  • Filter
  • Tijd
  • Tonen
Clear All
nieuwe berichten

  • Gevangenissen, huizen van bewaring en politiecellen

    Maastricht kende in het verleden op diverse plaatsen kesjotte. De eerste foto toont het voormalige vrouwen kesjot, het witte gebouw aan de huidige Patersbaan.
    De volgende foto's geven zicht op het kesjot in de kelder van het Minderbroedersklooster.
    De laatste foto's laten zien het militaire kesjot in de voormalige paardenstal aan de Scharnerweg.













    Kompleminte

    Toller

  • #2
    Oeps, eng hoor!
    Ik ben bij vlagen geniaal, alleen is het nu windstil!

    Opmerking


    • #3
      De vrouwengevangenis op de Minderbroedersberg


      Foto Toller (zie posting nr. 1).

      Deze voormalige vrouwengevangenis mag dan nu aan de Patersbaan lijken te liggen, oorspronkelijk was het adres: Minderbroedersberg. Zij is namelijk gebouwd op het terrein van het tweede Minderbroedersklooster.

      In 1806 werd het klooster in gebruik genomen als de 'Verenigde Gevangenissen' (Prisons Réunis), 'verenigd' omdat het hier ging om in één gebouw samengebrachte penitentiaire afdelingen voor het departement Nedermaas én voor de stad Maastricht. Het gebouw zou uiteindelijk tot 1985 dienen als gevangenis en huis van bewaring. Het pand dat bekend staat als 'de vrouwengevangenis', staat op de plaats waar oorspronkelijk de brouwerij van het klooster lag.

      Vóór 1795 bestond er in Limburg (en Nederland) geen eenduidig gevangenissysteem. Het onderscheid in huizen van bewaring en verschillende soorten gevangenissen zoals we dat nu kennen, is hier op het eind van de achttiende eeuw door de Fransen geïntroduceerd. In die tijd vormden de gevangenissen in de stad (Cellebroedersklooster, kelders stadhuis, Dinghuis en elders) een ontoereikend en verwaarloosd allegaartje dat noch qua inrichting, noch qua beschikbare ruimte opgewassen was tegen de toevloed van delinquenten in de Franse Tijd. (Er waren naast de 'gewone' wetsovertreders en criminelen vanaf 1797 allerlei nieuwe soorten gevangenen bijgekomen: bedelaars en zwervers die voorheen vrij waren geweest maar nu werden opgepakt en al snel in gestichten werden 'heropgevoed', onbeëdigde priesters, overtreders van de religievoorschriften, gedeserteerde soldaten, enzovoort). Vandaar de concentratie van gevangenissen in het Minderbroedersklooster op de Minderbroedersberg.

      De brouwhuis van de minderbroeders stond enigszins afgescheiden van het hoofdgebouw tegen de muur rond het terrein, in de uiterste zuidwestelijke hoek, dicht bij de waterput. Het werd in 1804 afgebroken en vervangen door een infirmerie of ziekenboeg. Epidemieën waren levensgevaarlijk en zwiepten ongeremd door de bevolking van kazernes en gestichten (tehuizen), reden waarom men zieke gevangenen afzonderde, zodat zij de rest van de populatie niet konden aansteken.

      Om een scheiding van de seksen te krijgen, kreeg de infirmerie al snel de functie van vrouwengevangenis. De vrouwen brachten hun dag door op de begane grond, waar links en rechts van de voordeur twee grotere kamers ('zalen') waren. Op de eerste verdieping hadden ze een bed in de slaapzaal. Ook was er een eigen kamertje voor de vrouwelijke gevangenenbewaarster.

      Er was plaats voor weinig meer dan 12-18 vrouwen, maar dat was geen probleem: het gebeurde in die jaren maar zelden dat alle plaatsen bezet waren. De gevangenen vormden een vlottende bevolking waarvan de meesten slechts voor een korte periode 'zaten' (enkele dagen, weken of maanden, zelden langer dan een jaar). Voor de deur was een met muren afgesloten plaats, waar de vrouwen konden worden gelucht.

      De vrouwelijke gevangenen zijn verschillende keren verhuisd. Toen in de jaren 1850 het cellulair systeem werd ingevoerd, en gevangenen dus niet meer op slaapzalen mochten huizen, maar een eigen cel moesten krijgen, verhuisden de vrouwen naar het klooster, waar dit voor de mannen al vanaf het begin grotendeels was gerealiseerd. De minderbroeders hadden zelf immers altijd al een eigen kleine cel gehad.

      De vrouwenafdeling op de eerste verdieping van de noordelijke kruisgang kon echter niet effectief worden afgescheiden van de rest en zo kwam het met regelmaat tot ongewenste situaties. Dit niet in de laatste plaats omdat er jarenlang geen vrouwelijke cipier was. Die werd pas weer in 1863 aangesteld, nadat in 1862 een poging tot verkrachting had plaats gehad door een cipier/nachtwaker. (Hij was erg onhandig, want de spiernaakte dame vluchtte de gang op en sloot hem met zijn eigen sleutels op in haar cel. Men oordeelde hem 'ongeschikt' en hij kreeg vervolgens zijn ontslag).
      In 1915 kregen de vrouwen een eigen gebouw dat op de binnenplaats tegen de westelijke muur van de kerk was opgetrokken. De oorspronkelijke infirmerie/vrouwengevangenis is (na uitbreiding met een extra etage?) in gebruik geweest als mannenafdeling. Of en wanneer de vrouwen er weer in zijn teruggekeerd, is mij niet bekend.

      Qua bouwgeschiedenis dateert 'de vrouwengevangenis' dus uit de jaren 1804-1806, al is er later een tweede verdieping op gezet.

      Literatuur
      * Ingrid M.H. Evers, De Minderbroedersberg, (Maastrichts Silhouet, 54), Maastricht 1999.
      * Ingrid M.H. Evers, 'Het begin van een gevangeniswezen in het departement Nedermaas', in: A.M.J.A. Berkvens en Th.J. van Rensch (red.), 'Wordt voor recht gehalden', Maastricht 2005, 345-374.

      Opmerking


      • #4
        De gevangeniscellen onder het stadhuis en het Minderbroederklooster


        Foto: Toller. (zie posting nr. 1)

        De cellen onder het stadhuis zijn drieëneenhalve eeuw oud. Het zijn er altijd maar een handvol geweest, want men zat er zelden lang gevangen. In het ancien regime (ca. 1500-1794), de tijd vóór de Franse Tijd (1794-1814), kende men het begrip gevangenisstraf niet. Men zat in voorarrest totdat de rechtszaak had gediend en daarna kreeg men vrijspraak of een straf. Dat kon een geldstraf, schandstraf, lijfstraf, doodstraf of verbanning zijn, of een combinatie daarvan, maar het was nooit gevangenisstraf. Dat is iets van na 1794.

        De cellen onder het stadhuis werden in de Franse Tijd in gebruik genomen als permanent onderkomen voor diegenen die door het Tribunal Criminel, de nieuwe Criminele Rechtbank, waren veroordeeld. Het Tribunal Criminel (en haar opvolger, de Cour de Justice Criminelle) was de hoogste rechtbank in het departement Nedermaas; de veroordeelden waren dan ook echte criminelen die voor langere tijd vast zaten.

        Niet dat de Franse autoriteiten gelukkig waren met deze huisvesting. De cellen werden beoordeeld als te laag met slechte beluchting, er was geen luchtplaats voor de gevangenen die dus 24 uur per dag in eenzame opsluiting op cel zaten, en alle ramen kwamen uit op een openbaar plein, namelijk de Markt, waardoor de gevangenen ongewenst contact hadden met de buitenwereld. Bovendien waren er te weinig cellen en waren andere toegewezen lokalen (met cachotten) ontoereikend. Het was maar beter deze accomodatie op te heffen.

        Op de Minderbroedersberg heeft men ter vervanging van de voorzieningen in het stadhuis onder de zuidelijke vleugel soortgelijke cellen ingericht (zie foto), die oorspronkelijk in gebruik waren bij de politierechter. Toentertijd kon die overtreders slechts voor drie dagen vastzetten. Dus het was akelig, schandelijk en afzien, maar in vergelijking tot een criminele of civiele celstraf viel het ongemak uiteindelijk wel mee.

        In hoeverre de cellen onder het stadhuis in de negentiende en twintigste eeuw nog dienst hebben gedaan, is na te gaan in de politiearchieven. De politie zoals wij die kennen, is een negentiende-eeuwse uitvinding. Geen politiebureau zonder arrestantencellen, dus toen er een politiepost in het stadhuis zat, deden ongetwijfeld ook de aloude cellen weer dienst. Dit keer echter uitsluitend als tijdelijk verblijf. De arrestant sliep zijn roes uit of ging zo snel mogelijk door naar een officieel huis van bewaring.


        Literatuur
        Ingrid M.H. Evers, 'Het begin van een gevangeniswezen in het departement Nedermaas', in: A.M.J.A. Berkvens en Th.J. van Rensch (red.), 'Wordt voor recht gehalden', Maastricht 2005, 345-374.

        Opmerking


        • #5
          Cachotten in de Marechaussee-kazerne aan de Scharnerweg


          Foto: Toller (zie posting nr. 1)


          Een cachot (Mestreechs: kasjot of kesjot) was in oorsprong een los in de ruimte staande, eenpersoons houten cel, een beetje vergelijkbaar met een chambrette voor religieuzen en kostschoolleerlingen. Waar een chambrette echter aan de bovenzijde open was, en aan de voorzijde 'afgesloten' werd met een gordijn, had een cachot een houten dak en een houten deur zonder raam er in.

          Het voordeel van een cachot boven een stenen cel was, dat je zo'n 'gevangenenkast' in principe in elke ruimte kon neerzetten. Het was een stevig gebouwde, verplaatsbare cel die al naar gelang men ruimte beschikbaar had, op een zolder of in een kelder kon worden geplaatst, of in een kamer die normaliter gebruikt zou worden als woon- of slaapvertrek en waaruit men zónder cachot gemakkelijk zou kunnen ontsnappen.

          Tot ver in de negentiende eeuw zijn dergelijke cachotten gebouwd, al veranderde de vormgeving enigszins. De losse eenpersoonscachotten werden naarmate het aantal gevangenen toenam, naast elkaar geplaatst en kregen permanente, zij het indirecte lichtinval en beluchting (!) door het aanbrengen van een bovenlicht/klapraam.

          Uit het reguliere gevangeniswezen zijn cachotten al bijna een eeuw verdwenen. Betonnen muren en stenen cellen hebben de houten planken vervangen. Alleen in het spraakgebruik komt men de term soms nog tegen als alternatieve (foutieve) benaming voor 'cel'.

          Het is dan ook een verrassing dat Toller aan de Scharnerweg nog een rijtje houten cachotten kon fotograferen. Wie goed kijkt, ziet dat het inderdaad cachotten betreft: boven de constructie is nog een ruimte onder het plafond, hetgeen onderstreept dat het om een los in de ruimte staande constructie gaat. Het is geen cel in de ware zin van het woord. Opvallend is ook het ontbreken van een raam op ooghoogte. De gevangene had geen enkel rechtstreeks contact met de buitenwereld, tenzij door geluid. Gelukkig maar dat de reeds uit de tijd van de Franse Republikeinen stammende richtlijnen voor de bouw van cellen in gevangenissen in elk geval het recht op licht en lucht voorschreven! Vandaar het bovenlicht.

          Klik hier op de link voor een mooie foto van een voormalig cachot in Zwolle; men kan goed zien dat de 'binnenmuur' uit houten planken bestaat. Het bovenlicht was hier geen klapraam, maar een horizontaal naar buiten openzwaaiend venster.

          Een prachtige foto van Pierre Weijnen (Den Bosch) laat de oudste versie zien: een cachot zonder lichtinval of ontluchting. Dit werd waarschijnlijk alleen gebruikt om de gevangene 's nachts - als in een soort afsluitbare bedstee - of permanent - bij wijze van strafmaatregel - in op te sluiten. Overdag bevond deze zich dan in de zolderruimte, met enige lichtinval door het lage raam.

          Opmerking


          • #6
            Gevangenissen, Huis van bewaring en politiecellen

            Oorspronkelijk geplaatst door Ingrid M.H. Evers Bekijk bericht
            (...)
            Het is dan ook een verrassing dat Toller aan de Scharnerweg nog een rijtje houten cachotten kon fotograferen. Wie goed kijkt, ziet dat het inderdaad cachotten betreft: boven de constructie is nog een ruimte onder het plafond, hetgeen onderstreept dat het om een los in de ruimte staande constructie gaat. Het is geen cel in de ware zin van het woord. Opvallend is ook het ontbreken van een raam op ooghoogte. De gevangene had geen enkel rechtstreeks contact met de buitenwereld, tenzij door geluid. Gelukkig maar dat de reeds uit de tijd van de Franse Republikeinen stammende richtlijnen voor de bouw van gevangenissen in elk geval het recht op licht en lucht voorschreven! Vandaar het bovenlicht.
            (...)
            Voor de goede orde even een opmerking.
            Er is, maar dat werd reeds in een van de bovenstaande postings van mevr. Evers goed verwoord, een wezenlijk verschil tussen een cel in een gevangenis, een Huis van Bewaring en een politiecel.

            In bovenstaande posting wordt aanvankelijk gesproken over een cachot bij de Koninklijke Marechaussee (juridisch betreft het dan een politiecel), om vervolgens een verwijzing te maken naar de inrichtingseisen van een gevangenis.

            Bij de bouw van gevangenissen diende men dus al sinds het begin van de 19de eeuw rekening te houden met het recht op direct daglicht in de cel.
            Dat was absoluut geen inrichtingseis van een politiecel!

            De richtlijn dat in een politiecel direct daglicht moet zijn, dateert pas sinds het einde van de 20ste eeuw, zo rond 1993!

            Het cellencomplex van het toenmalige hoofdbureau van (gemeente)politie in Maastricht werd pas in 1997 gesloopt o.a. vanwege het feit dat de politiecellen geen direct daglicht hadden.
            Daarvoor in de plaats kwam, op dezelfde plaats, een nieuw en veel moderner cellencomplex terug. In dit nieuwe cellencomplex hebben de cellen wel direct daglicht.

            Ik zal eens kijken of ik nog foto's weet te vinden van (de cellen in) het oude cellencomplex.

            Opmerking


            • #7
              Oorspronkelijk geplaatst door Tedje Bekijk bericht
              Er is (...) een wezenlijk verschil tussen een cel in een gevangenis, een Huis van Bewaring en een politiecel. (...) Het recht op direct daglicht in de cel (...) was absoluut geen inrichtingseis van een politiecel! De richtlijn dat in een politiecel direct daglicht moet zijn, dateert pas sinds het einde van de 20ste eeuw, zo rond 1993!
              Het schijnt met die ramen nog steeds niet echt in orde te zijn. Bijgaand een bericht in Trouw uit 2012, waaruit blijkt dat politiecellen in Nederland sowieso veel te wensen overlaten.

              Opmerking


              • #8
                Oorspronkelijk geplaatst door Ingrid M.H. Evers Bekijk bericht
                Het schijnt met die ramen nog steeds niet echt in orde te zijn. Bijgaand een bericht in Trouw uit 2012, waaruit blijkt dat politiecellen in Nederland sowieso veel te wensen overlaten.
                Nou ja, ik waag het een beetje te betwijfelen daar waar het betreft het directe daglicht in de politiecellen.
                Ik durf de stelling wel aan dat het oude cellencomplex van de (gemeente)politie in Maastricht, van vóór 1997, veel beter was dan het huidige.
                Niet alle richtlijnen uit "Brussel" zijn altijd per definitie beter.

                Ja, de verdachten hadden geen direct daglicht, dat ging via een ruim bovenlicht (met tralies) boven de deur.
                De deur en het bovenlicht kwamen uit op een cellengang waar wel direct daglicht was.
                Dus in de cel had men wel degelijk het besef of het dag of nacht was.
                De cellen, de douches en de verhoorkamers waren bovendien een stuk beter en in een logischer verhouding in vergelijking met nu!

                Ik moet echt eens op zoek naar oude foto's......

                Opmerking


                • #9
                  Hartstikke leuke bijdragen. Morgen ben ik in het Stadhuis en probeer foto's te maken van de cellen daar.
                  Kompleminte

                  Toller

                  Opmerking


                  • #10
                    Spekkamer

                    Dinghuis: de in 1883 voor het publiek opengestelde oudheidskamer van het LGOG toonde een grote variëteit aan voorwerpen: van prehistorische artefacten tot gevelstenen, en van de beker van Napoleon tot de roodgeverfde guillotine. Op de bovenste etage was een spekkamer (of cachot) nagebootst, waarvan de brits nog origineel was.

                    Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/Dinghuis_(Maastricht)
                    De leefs mer eine kier .

                    Opmerking


                    • #11
                      Maastrichtse gevangenissen in vroeger eeuwen

                      Bron: Jef Leunissen, Minnerij, misdaad en magie. Corrie Zelen, Maasbree 1978.

                      Tot het begin der 19e eeuw kende men in Maastricht geen gevangenis in de vorm van een gebouw, waarin een gevangenisstraf van langeren duur kon worden ondergaan. Ernstige misdrijven werden vroeger bestraft met de dood door onthoofden, hangen, verbranden, wurgen, radbraken of andere onprettige methodes om naar het hiernamaals te worden bevorderd. Lichtere misdrijven werden bestraft met geseling, brandmerken en verbanning uit de stad of streek voor een bepaalde tijd ofwel voor eeuwig. Terugkomst in de stad binnen de verbanningsperiode werd zwaar gestraft.

                      In 1716 werd een paardendief na te zijn gegeseld en gebrandmerkt, buiten de stad geleid. Nadat hij diezelfde dag weer in Maastricht was terugggekeerd en door de politie was opgepikt, werd hij een paar dagen later op het Vrijthof voor het toenmalige Statenhuis (waar nu het postkantoor staat) opgehangen.

                      Ketters, Godslasteraars en afvallige geestelijken moesten gewoonlijk de hen opgelegde gevangenisstraf in een kloostergevangenis ondergaan.
                      Vroeger werden gearresteerden in afwachting van hun berechting vaak opgesloten in een der stadspoorten. De Hochterpoort (gelegen Markt, hoek Grote Gracht) werd gewoonlijk de Gevangenpoort genoemd. De gevangenis in de Wyckerpoort werd omstreeks 1800 afgebroken. In de tijd toen de magistraat van Maastricht zitting had in ‘De Landscroon’ in de St. Jorisstraat (nu Grote Staat op de plaats van de ingang van V. en D.) werden daar ook de gevangenen ondergebracht. Zij zaten daar meestal cellulair. Wegens plaatsgebrek werden in de donkere, kille cellen soms twee of drie personen ondergebracht, wat niet bepaald bevorderlijk voor de hygiëne moet zijn geweest. De gevangenen kregen tweemaal per dag water en brood. Zij sliepen op stro dat tweemaal per week werd ververst. De cipier ontving voor het onderhoud van de gevangenen een vast bedrag per dag. Hij had in zijn dienst twee helpers, die hij zelf moest bekostigen. Zij moesten de cellen schoonhouden, de emmers of tonnetjes leegmaken en voor de inkopen van eten en dergelijke zorgen.

                      Toen de beide Hooggerechten hun zittingen gingen houden in het Dinghuis (het z.g. oud-stadhuis) werden de gevangenen daar ondergebracht in kleine, gedeeltelijk over de jodenstraat uitgebouwde kamertjes op de bovenverdieping. 's Nachts was daar geen bewaking. De cipier maakte elke avond de ronde om de sloten te controleren. Als in de nacht een gevangene ziek werd, werd dit eerst de daaropvolgende morgen geconstateerd. Toen in de loop der tijd, het houtwerk van de kamertjes begon te vergaan, moest de cipier gevaarlijke misdadigers 's nachts aan een zwaar houten blok vastketenen. De folterkamer bevond zich in de kelderruimte van het Dinghuis. Hier hadden de ‘scherpe examens’ plaats. Gruwelijke details over een dergelijk verhoor lezen wij in het verslag van de vreselijke folteringen, die men op pater Vink had toegepast. Schuldeisers konden onwillige betalers laten gijzelen. Zij werden in het Dinghuis ingesloten en niet eerder vrijgelaten, dan nadat zij hun schulden en ook de kosten van de detentie hadden betaald. Gijzeling werd ook toegepast op personen, die hadden meegewerkt aan het ontvoeren van Staatse burgers naar Luiks gebied. In 1702 werd zelfs de schout van Luikse zijde met zijn boden door de Brabantse Hoogschout gegijzeld, totdat een door hen naar Luik overgebrachte gewezen non weer in Maastricht op vrije voeten zou zijn gesteld. Bovendien moesten ze de kosten van hun verblijf in de gijzelkamers betalen.

                      Toen in 1664 het nieuwe stadhuis op de markt door de Hooggerechten in gebruik werd genomen bleef het Dinghuis als gevangenis dienst doen, ook nadat in het nieuwe stadhuis een aantal cellen waren ingericht. Gijzelaars, genoten wat eten, drinken en slaapgelegenheid betreft, voorrechten, mits zij de cipier hiervoor extra betaalden.

                      In de 17e en 18e eeuw waren dames van lichte zeden in Maastricht met haar groot garnizoen zeer actief, zeer tot ongenoegen van zowel de Katholieke als de Gereformeerde magistraat. Aan de lopende band werden prostituées en bordeelhouders (houdsters) gevonnist. De prostituées werden opgesloten in een om een spil roterende ijzeren kooi, die was opgesteld aan de linkerzijde van de grote trap van het stadhuis. Advocaat Bernard schreef hierover: De 5 augustus 1748 amuseerden de Fransen zich vooral met het laten ronddraaien van de voor het stadhuis opgestelde ijzeren kooi met daarin de ‘grivoises’ die men 's nachts in de kazernes had verrast. De medeplichtigen van de prostituées werden in ijzeren kettingen tentoongesteld achter de traliehekken voor het stadhuis.

                      Toen men hier, vooral in verband met de in grote getale gevangen genomen bokkerijders, een nijpend gebrek aan gevangenis-ruimte had, wilde men in de tussen de Bredestraat en de Wolfstraat gelegen kloostergebouwen van de uitgewezen jezuïeten, een provinciaal tucht- of rasphuis vestigen. Vanwege de hoge kosten werd van dit plan afgezien. Tenslotte werd in 1825 in de kerk- en kloostergebouwen van de voormalige Minderbroeders resp. het Paleis van Justitie en de gevangenis gevestigd. In de volksmond werd een gevangene naar de ‘minnebreure’ of naar ‘de berg’ gebracht.

                      In mijn jeugd heb ik nog wel eens een dronkeman of ruziemaker door ‘deender Gerritse of deender Franssen’ naar de ‘spekkamer’ onder het stadhuis zien brengen. Een dergelijke gebeurtenis was voor de toenmalige jeugd een publieke vermakelijkheid.

                      Fons Oltertissen schreef destijds over de ‘spekkamer’: ‘Dee al ins t'rin gezete heet, zal wel wete, wie et t'rin oetzaog, en väöl te vertèlle vèlt neet vaan veer mör, 'n gemetselde brits en e gemetseld brèlke, boe-onder e soort kookepan stónt, die van boete onder dat brèlke gesjuif woort. Leeg of loch kwaom neet tebinne. Ze zien noe aofgebroke, mer gans onder in de kelder ligge nog e stök of veer kasjotte, boe me in kump es me door e gewellef vaan e paar meter dik krup. Dao-in woorte vreuger de erregste misdiedigers gezat en me kós wel zègge, datse dao levetig begraove waore achte eike deuren van ene spaan dik’.
                      De leefs mer eine kier .

                      Opmerking


                      • #12
                        Ga ze morgen bekijken
                        Kompleminte

                        Toller

                        Opmerking


                        • #13
                          Vandaag een fantastische rondleiding in de kelder van ons stadhuis gehad. Als eerste kwam de Spekkamer aan de beurt. Boven de deur staat een mooie tekening.


                          De Spekkamer zelf is een redelijke ruimte met aan twee wanden verschillende tekeningen





                          Doorlopend komt men bij een tweetal toiletten uit de prehistorie,



                          Vervolgens een westelijke keldergang die uitkomt aan de voorzijde van het stadhuis



                          Dan zijn er nog aan de westelijke keldergang twee kasjotten over. Kon om moverende redenen er niet inkijken,



                          Uiteindelijk kom je dan weer bij het beginpunt van de kelderrondgang en dan zie je de trap naar de tunnel die het stadhuis verbindt met het Mosa Forum.

                          Kompleminte

                          Toller

                          Opmerking


                          • #14
                            Schitterende foto's Toller, maar wie heeft die tekeningen gemaakt?
                            Weet je daar wat meer over?
                            Ik ben bij vlagen geniaal, alleen is het nu windstil!

                            Opmerking


                            • #15
                              Nee ik weet verder niets van deze tekeningen af. Zag geen naam ergens staan, maar misschien weet de huismeester hier iets mee over.
                              Kompleminte

                              Toller

                              Opmerking

                              Bezig...
                              X